ECLI:NL:RBDHA:2026:27375
Echtscheiding met nevenvoorzieningen, IPR, afwikkeling huwelijksvermogen naar Turks recht.
Rechtbank Den Haag 28 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:27375
text/xml
public
2026-09-28T12:04:01
2026-09-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-20
C/09/684479 / FA RK 25-3252
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27375
text/html
public
2026-09-28T12:03:40
2026-09-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:27375 Rechtbank Den Haag , 20-08-2026 / C/09/684479 / FA RK 25-3252
Echtscheiding met nevenvoorzieningen, IPR, afwikkeling huwelijksvermogen naar Turks recht.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-3252 (echtscheiding)
FA RK 25-7830 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Zaaknummers: C/09/684479 (echtscheiding)
C/09/693134 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 20 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 30 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.K. Tosun in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht van 12 mei 2025 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 19 mei 2025 van de vrouw, met bijlage;
het op 3 september 2025 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen;
het op 15 oktober 2025 ingekomen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
het bericht van 9 juni 2026 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 12 juni 2026 van de man, met bijlage;
het bericht van 19 juni 2026 van de vrouw, met bijlagen.
Op 24 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk M. Sivridag;
de advocaat van de man.
Na de zitting heeft de rechtbank kennisgenomen van:
het bericht van 25 juni 2026 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 30 juni 2026 van de man, met bijlage.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 in [plaats] .
De man heeft in ieder geval de Turkse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van datum van het verzoekschrift zal betalen een bedrag van € 957,- bruto per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling verschuldigd;
te bepalen dat het huurrecht van de woning staande en gelegen aan de [adres] , met uitsluiting aan de man, aan de vrouw wordt toebedeeld;
de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast te stellen:
- te bepalen dat de vaatwasser, afzuigkap, oven, inductie kookplaat, koelkast aan de vrouw worden toebedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw hiervoor € 500,- aan de man voldoet.
te bepalen dat de overige inboedel van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening;
te bepalen dat dat de bankrekening van de vrouw en het saldo daarvan aan de vrouw en de bankrekening van de man en het saldo daarvan aan de man wordt toebedeeld, zulks zonder nadere verrekening;
te bepalen dat de man aansprakelijk en draagplichtig is voor zijn schulden;
te bepalen dat partijen ieder voor de helft van de zorg- en huurtoeslagschuld van € 3.809,00 draagplichtig zijn;
te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 467,50 dient te voldoen ten aanzien van de huur- en zorgtoeslagschuld;
- althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren
De man voert – onder referte van de echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat het huurrecht van de woning aan de [adres] , met uitsluiting van de vrouw, aan de man wordt toebedeeld;
de verdeling van de tussen partijen bestaande hebbende huwelijksgoederen-gemeenschap vast te stellen, althans de wijze van de verdeling te gelasten zulks overeenkomstig het nog door de man in te dienen formulier verdelen en verrekenen en de nog nader door de man te verstrekken informatie en standpunten dienaangaande;
te bepalen dat de vrouw volledige en transparante informatie over haar inkomen dient te verstrekken, met inbegrip van haar loon en uitkeringen, teneinde een correcte vaststelling van de partneralimentatie mogelijk te maken, althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben de echtscheiding verzocht en gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat hun verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning en worden deze verzoeken volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Standpunt vrouw
De vrouw woont al 28 jaar in de woning (sinds maart 1997) en de man is in november 2022 bij haar ingetrokken. De vrouw heeft lichamelijke gezondheidsklachten waardoor het voor haar noodzakelijk is om in de huidige woning te blijven welke dicht bij haar werk is (loopafstand). Het is voor de vrouw bovendien financieel niet haalbaar om een alternatieve woning te vinden. Daarbij komt dat er volgens de vrouw sprake is geweest van een schijnhuwelijk voor een verblijfsvergunning vanuit de zijde van de man, die hier een vriendin bleek te hebben. De vrouw is hierachter gekomen en is geschrokken en gekwetst. De vrouw heeft dan ook melding gemaakt bij de IND waardoor het nog onduidelijk is of de man überhaupt in Nederland mag blijven. Daarnaast heeft de man, anders dan de vrouw alternatieven. Hij kan bij zijn vriendin gaan wonen of hij kan met zijn inkomen als ZZP’er een particuliere huurwoning huren.
Standpunt man
De man betwist met klem dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk en dat hij een nieuwe of andere vriendin zou hebben. Gelet op de houding en het gedrag van de vrouw is de man genoodzaakt geweest tijdelijk de woning te verlaten om te voorkomen dat er conflicten zouden ontstaan. De man heeft echter anders dan de vrouw, die bij haar kinderen kan verblijven, geen zicht op een andere woning en geen enkel ander alternatief. Tot op heden verblijft de man in zijn vrachtwagen en wanneer zijn financiële situatie dat toelaat verblijft hij elders. Deze situatie is niet langer houdbaar waardoor het huurrecht van de woning aan hem zou moeten worden toebedeeld.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de echtelijke woning. In de huidige woningmarkt, waarin de woningschaarste zeer groot is, is het voor beiden moeilijk om alternatieve woonruimte te vinden. Daarbij hebben zij beiden beperkte mogelijkheden in hun netwerk voor alternatief onderdak. Ieder van partijen heeft zijn of haar eigen redenen waarom hij of zij graag in de woning wil blijven. De rechtbank zal bij toewijzing van de huurwoning daarom een belangenafweging maken.
De belangen van partijen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij het toekennen van het huurrecht van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank laat hierbij zwaar wegen dat de vrouw al ruim 28 jaar in de woning woont en de man nog geen vier jaar geleden erbij is gekomen. Daarnaast is het voor de continuering van de werkzaamheden van de vrouw van belang dat zij dicht bij haar werk blijft wonen gelet op haar gezondheidsklachten. Tot slot betekent het inkomen van de vrouw dat zij alleen in aanmerking zou komen voor een andere sociale huurwoning, waar bijzonder lange wachttijden voor gelden. De man komt met zijn winst uit onderneming van € 55.066,- in 2025 niet in aanmerking voor een sociale huurwoning gelet op de inkomensgrens van € 51.537,- per jaar. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de betaalbare particuliere woningen niet voor het oprapen liggen, zijn deze voor de man toch bereikbaarder dan voor de vrouw en gelden daarvoor geen wachtlijsten. Bijkomend merkt de rechtbank op dat de man met zijn inkomen geen recht heeft op de woning op het moment dat er een inkomenstoets zal plaatsvinden.
De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan haar zal toekomen. Het verzoek van de man tot toedeling van het huurrecht zal worden afgewezen. De vrouw heeft tevens verzocht te bevelen dat de man de woning voorgoed dient te verlaten en na de inschrijving van de echtscheiding niet meer mag betreden. Nu is gebleken dat de man de woning al heeft verlaten en bovendien de toewijzing van het huurrecht aan de vrouw impliceert dat de man de woning niet meer mag betreden, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om dit te bepalen bij gebrek aan belang afwijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht
Aangezien de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van de
nevenverzoeken over het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
Omdat de man en de vrouw op [datum] 2022 in [plaats] met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor het toepasselijk recht.
Op grond van artikel 4 van het Verdrag wordt, indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit indien:
door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;
indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:
in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of
in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;
3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
Onweersproken is gesteld dat partijen vóór het huwelijk geen rechtskeuze hebben uitgebracht. Partijen hadden hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland, waarmee ingevolge artikel 4 eerste volzin van het Verdrag Nederlands recht van toepassing zou zijn. Echter, de vrouw had voorafgaand aan het huwelijk de Nederlandse en Turkse nationaliteit en de man de Turske nationaliteit, waarmee sprake van een gemeenschappelijke nationaliteit (de Turkse) in de zin van artikel 4 tweede volzin van het Verdrag. Turkije is geen partij bij het Verdrag en het internationaal privaatrecht van Turkije leidt tot toepassing van het interne Turkse recht. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 4 onder 2, aanhef en onder b, van het Verdrag. Daarom wordt het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het Turkse recht.
Turks recht
Het Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) kent een huwelijksgoederenregime dat het beste kan worden getypeerd als een ‘verwervingsdeelneming’. Dit betekent dat tijdens het huwelijk het vermogen van de partner gescheiden blijft, maar dat bij een echtscheiding de opgebouwde 'verwervingen' bij helfte moeten worden verrekend.
Als verwervingen worden aangemerkt de vermogensbestanddelen die door de echtgenoten tijdens het huwelijksvermogensregime om baat zijn verworven, zoals inkomsten uit arbeid, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vermogensbestanddelen die verwervingen vervangen (artikel 219 TBW). Tot het persoonlijk vermogen van de echtgenoten worden gerekend de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk krachtens erfrecht of anderszins om niet verworven vermogensbestanddelen, vorderingen uit immateriële schade en de vermogensbestanddelen die persoonlijk vermogen vervangen (artikel 220 Turks BW). Het persoonlijk vermogen en de verwervingen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime (art. 228 TBW). De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (art. 235 TBW).
Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot heeft recht op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (art. 236 TBW). De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (art. 231 TBW).
Ten aanzien van schulden volgt uit de artikelen 230 en 231 TBW dat een schuld die betrekking heeft op de verwervingen in de zin van artikel 219 TBW (ook indien zij uitsluitend op naam van één van partijen is gesteld) in de verrekening dient te worden betrokken. Een schuld bezwaart dat gedeelte van het vermogen waarop zij betrekking heeft.
Peildatum
In het Turks recht heeft als peildatum voor het bepalen van de omvang van de verwervingen te gelden het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime. Dit is op grond van artikel 225 jo. 228 TBW het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. In de onderhavige zaak is dit 30 april 2025. De bestanddelen die op dat moment tot de verwervingen behoren moeten ingevolge artikel 235 TBW worden gewaardeerd op het tijdstip van de vereffening.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:
de inboedel;
saldi van de bankrekeningen;
de inkomstenbelasting schuld;
e zorg- en huurtoeslag schuld.
ad a) de inboedel
Niet in geschil tussen partijen is dat enkel de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast onder de te verdelen inboedel behoren en dat deze aan de vrouw worden toebedeeld. De waarde waartegen deze aan de vrouw worden toebedeeld is wel in geschil tussen partijen. De vrouw stelt dat de apparaten € 200,- per stuk waard zijn (totaal € 1.000,-). De man stelt dat de apparaten een waarde hebben van € 1.000,- per apparaat (totaal € 5.000,-). Geen van partijen heeft de waarde van de apparaten onderbouwd waardoor de rechtbank het bedrag per apparaat zal middelen naar € 600,- per apparaat (totaal € 3.000,-). Aan de vrouw zal dus worden toegedeeld de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast onder verrekening van de helft van de waarde, te weten € 1.500,-.
ad b) saldi bankrekeningen
De vrouw verzoekt te bepalen dat de bankrekening van de vrouw en het saldo daarvan
aan de vrouw en de bankrekening van de man en het saldo daarvan aan de man wordt
toebedeeld, zulks zonder nadere verrekening.
De man stelt dat de saldi bij helfte verdeeld moeten worden, per peildatum.
De saldi op de bankrekeningen vormen naar het oordeel van de rechtbank verwervingen in de zin van artikel 219 TBW. Op grond van het hiervoor weergegeven artikel 231 TBW betekent dit enerzijds dat de vrouw recht heeft op de helft van de optelsom van de saldi van de bankrekening van de man per peildatum en anderzijds dat de man recht heeft op de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum. Partijen dienen de saldi dienovereenkomstig te verdelen.
ad c) de inkomstenbelasting schuld
De vrouw stelt dat de man op zijn naam diverse (belasting)schulden heeft opgebouwd op zijn naam. Conform Turks recht is volgens de vrouw uitsluitend de man draagplichtig en aansprakelijk voor deze schulden. De vrouw heeft niet betwist dat de belastingschulden van de man bestaan uit de door hem verschuldigde inkomstenbelasting.
De man stelt dat de door hem verschuldigde belastingschuld uit hoofde van de
inkomstenbelasting dient te worden aangemerkt als een schuld die verband houdt
met een verwerving in de zin van artikel 219 TBW. Deze belastingschuld is immers direct gerelateerd aan het inkomen dat gedurende het huwelijk is verworven en waarvan beide partijen hebben geleefd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft een belastingschuld uit hoofde van de inkomstenbelasting betrekking op een verwerving in de zin van artikel 219 TBW, namelijk inkomsten uit arbeid. Deze schulden moet daarom betrokken in de verrekening op grond van het Turkse huwelijksvermogensrecht.
Daarom zal de rechtbank bepalen dat de helft van de belastingschuld van de man per peildatum in de verrekening betrokken dient te worden.
ad d) schuld huur- en zorgtoeslag
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man voor de helft draagplichtig is voor de schulden aangaande de door de vrouw te veel ontvangen huur- en zorgtoeslag en dat hij een bedrag van € 467,50 dient te voldoen aan de vrouw omdat zij al een bedrag van € 935,- heeft afgelost op deze schuld.
De man heeft gesteld dat enkel de schulden met betrekking tot de inkomstenbelasting in de verrekening betrokken kunnen worden. Overige schulden van de vrouw op haar naam vallen volgens de man onder haar privévermogen.
Het is de rechtbank gebleken dat de huur- en zorgtoeslagschulden zijn ontstaan omdat de vrouw naar eigen zeggen vergeten is haar nieuwe inkomenssituatie door te geven. Deze schuld is niet verbonden aan een verwerving in de zin van artikel 219 TBW. Deze schulden behoren daarmee tot het persoonlijk vermogen van de vrouw, zodat zij de schulden zelf moet aflossen. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007, Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
Inzage inkomens gegevens vrouw
De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang, omdat de vrouw in de loop van de procedure haar inkomensgegevens heeft ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vrouw verzoekt als ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoekschrift te bepalen, te weten 30 april 2025. De rechtbank ziet – nu er geen voorlopige voorziening is gevraagd – geen wettelijke grondslag om de partneralimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers. De rechtbank zal die datum als ingangsdatum vaststellen.
Behoefte
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de behoefte van de vrouw van € 2.709,- per maand in 2026. De rechtbank zal de behoefte van de vrouw conform de overeenstemming vaststellen.
Aanvullende behoefte
Tussen partijen is de aanvullende behoefte van de vrouw in geschil.
De man stelt dat de vrouw niet volledig arbeidsongeschikt is verklaard en dat zij de afgelopen jaren tijdens het huwelijk ook fulltime heeft gewerkt. Volgens de man zou er dan ook rekening gehouden moeten worden met een verdiencapaciteit van een fulltime dienstverband aan de zijde van de vrouw.
De vrouw betwist dat zij niet arbeidsongeschikt is verklaard en stelt dat zij - om de man naar Nederland te kunnen halen - naast haar arbeidsongeschiktheidsuitkering voor een korte periode fulltime is gaan werken. Dit heeft niet alleen financiële gevolgen gehad voor de vouw maar ook negatieve gevolgen op haar gezondheid. Gelet daarop is de vrouw parttime gaan werken. De vrouw doet dit nog steeds en werkt dus meer dan dat zij volgens de artsen zou moeten werken. De vrouw had dan ook graag meer willen werken, echter is dit onverantwoord en niet haalbaar.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting met partijen is besproken is de rechtbank gebleken dat de vrouw in 2018 100% arbeidsongeschikt is verklaard. De vrouw ontving daarom een WIA-uitkering. Het is de rechtbank voldoende aannemelijk gebleken dat de vrouw sinds 1 december 2021 in dienst getreden bij haar huidige werkgever stichting Zorggroep Florence om te zorgen dat zij de man naar Nederland kon halen gelet op de inkomenseisen die de IND stelt. Dit heeft tot gevolg gehad dat de WIA-uitkering van de vrouw op 28 november 2023 is stopgezet. Sindsdien werkt de vrouw parttime. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op haar gezondheidsklachten niet van de vrouw verwacht kan worden dat zij fulltime zal gaan werken. De rechtbank zal voor de berekening van haar aanvullende behoefte dan ook de door haar overgelegde IB aangifte 2025 als uitgangspunt nemen.
Verder houdt de rechtbank rekening met de fiscale algemene- en de arbeidsheffingskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.849,- per maand. Op haar NBI dient de helft van de belastingschuld van € 480,- per maand in mindering worden gebracht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.De vrouw heeft daardoor een aanvullende behoefte in 2026 van( € 2.709 – (€ 1.849,- - € 480,-) =) € 1.340,- per maand. Dat is € 2.500,-,- bruto per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil.
De vrouw heeft gesteld dat als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man zijn winst uit onderneming over de jaren 2024 en 2025 genomen dient te worden, omdat de man in 2023 niet het hele jaar heeft gewerkt. De man heeft deze stelling niet betwist, zodat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man als uitgangspunt het gemiddelde van zijn winst uit onderneming over 2024 van € 42.676,- per jaar en over 2025 van € 55.066,- zal nemen, te weten € 48.871,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandige- en de startersaftrek en de MKB-vrijstelling.
Uitgaande hiervan berekent de rechtbank het NBI van man in 2026 op € 3.388,- per maand.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
Tussen partijen is in geschil welke lasten in mindering op de draagkracht(ruimte) van de man moeten worden gebracht en of de rechtbank rekening dient te houden met het woonbudget aan de zijde van de man.
Ten aanzien van het woonbudget overweegt de rechtbank dat hoewel de woonsituatie van de man op dit moment onduidelijk is, dit onverlet laat dat hij weer op zoek zal moeten gaan naar een woning, te meer omdat de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw heeft toegekend. De rechtbank zal daarom rekening houden met het woonbudget aan de zijde van de man.
Kosten leaseauto
De man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten voor zijn leaseauto van € 904,- per maand.
De vrouw heeft gesteld dat geen rekening gehouden moet worden met deze kosten. De vrouw heeft aangevoerd dat de (dure) leaseauto voor de man niet noodzakelijk is en het dus gaat om verwijtbare en vermijdbare kosten.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten voor de leaseauto. Dit zijn immers consumptieve kosten, nu de man het genot van de auto heeft en zal blijven houden omdat de auto niet in de afwikkeling van het huwelijksvermogen is betrokken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de leaseauto al in november 2026 is afbetaald en dat de man dan eigenaar is van de auto. Het ligt daarmee niet voor de hand om de nu nog bestaande schuld te laten drukken op de draagkracht van de man. Uit de stukken en op de zitting is tot slot niet gebleken dat sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last van de man, waarmee bij het bepalen van de draagkracht rekening moet worden gehouden.
Schuld bij de Belastingdienst
De man heeft aangevoerd dat hij een schuld heeft bij de Belastingdienst en hier € 960,- per maand op aflost. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met deze betalingsverplichting van de man geen rekening moet worden gehouden.
De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor overwogen bij de verdeling van de schuld naar Turks recht, het een schuld betreft die partijen bij helfte moeten dragen. Omdat het gaat om een inkomstenbelastingschuld, is deze schuld naar het oordeel van de rechtbank niet verwijtbaar en vermijdbaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met een last van € 480,- per maand (960/2) aan de zijde van de man voor de berekening van zijn draagkracht.
Gelet op het bovenstaande bedraagt de draagkracht van de man daarmee € 316,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 493,- per maand. Aangezien de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 493,- bruto per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2022 in [plaats]
*
bepaalt dat de vrouw huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres] ;
*
stelt de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en rekening houdend met het toepasselijk recht, als volgt vast:
de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast worden aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw een bedrag van € 1.500,- zal voldoen ter afrekening van de waarde van de inboedelgoederen;
de saldi op de bankrekeningen zullen partijen per peildatum verrekenen;
aan de man komt een vordering toe ter hoogte van de helft van de inkomstenbelastingschuld per peildatum;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding is de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie zal betalen van € 439,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026.
Echtscheiding met nevenvoorzieningen, IPR, afwikkeling huwelijksvermogen naar Turks recht.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-3252 (echtscheiding)
FA RK 25-7830 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Zaaknummers: C/09/684479 (echtscheiding)
C/09/693134 (afwikkeling huwelijksvermogen)
Datum beschikking: 20 augustus 2026
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.K. Tosun in Rotterdam.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht van 12 mei 2025 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 19 mei 2025 van de vrouw, met bijlage;
het op 3 september 2025 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen;
het op 15 oktober 2025 ingekomen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
het bericht van 9 juni 2026 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 12 juni 2026 van de man, met bijlage;
het bericht van 19 juni 2026 van de vrouw, met bijlagen.
Op 24 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk M. Sivridag;
de advocaat van de man.
Na de zitting heeft de rechtbank kennisgenomen van:
het bericht van 25 juni 2026 van de vrouw, met bijlage;
het bericht van 30 juni 2026 van de man, met bijlage.
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 in [plaats] .
De man heeft in ieder geval de Turkse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van datum van het verzoekschrift zal betalen een bedrag van € 957,- bruto per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling verschuldigd;
te bepalen dat het huurrecht van de woning staande en gelegen aan de [adres] , met uitsluiting aan de man, aan de vrouw wordt toebedeeld;
de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast te stellen:
- te bepalen dat de vaatwasser, afzuigkap, oven, inductie kookplaat, koelkast aan de vrouw worden toebedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw hiervoor € 500,- aan de man voldoet.
te bepalen dat de overige inboedel van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening;
te bepalen dat dat de bankrekening van de vrouw en het saldo daarvan aan de vrouw en de bankrekening van de man en het saldo daarvan aan de man wordt toebedeeld, zulks zonder nadere verrekening;
te bepalen dat de man aansprakelijk en draagplichtig is voor zijn schulden;
te bepalen dat partijen ieder voor de helft van de zorg- en huurtoeslagschuld van € 3.809,00 draagplichtig zijn;
te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 467,50 dient te voldoen ten aanzien van de huur- en zorgtoeslagschuld;
- althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren
De man voert – onder referte van de echtscheiding – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
te bepalen dat het huurrecht van de woning aan de [adres] , met uitsluiting van de vrouw, aan de man wordt toebedeeld;
de verdeling van de tussen partijen bestaande hebbende huwelijksgoederen-gemeenschap vast te stellen, althans de wijze van de verdeling te gelasten zulks overeenkomstig het nog door de man in te dienen formulier verdelen en verrekenen en de nog nader door de man te verstrekken informatie en standpunten dienaangaande;
te bepalen dat de vrouw volledige en transparante informatie over haar inkomen dient te verstrekken, met inbegrip van haar loon en uitkeringen, teneinde een correcte vaststelling van de partneralimentatie mogelijk te maken, althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben de echtscheiding verzocht en gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat hun verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning en worden deze verzoeken volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Standpunt vrouw
De vrouw woont al 28 jaar in de woning (sinds maart 1997) en de man is in november 2022 bij haar ingetrokken. De vrouw heeft lichamelijke gezondheidsklachten waardoor het voor haar noodzakelijk is om in de huidige woning te blijven welke dicht bij haar werk is (loopafstand). Het is voor de vrouw bovendien financieel niet haalbaar om een alternatieve woning te vinden. Daarbij komt dat er volgens de vrouw sprake is geweest van een schijnhuwelijk voor een verblijfsvergunning vanuit de zijde van de man, die hier een vriendin bleek te hebben. De vrouw is hierachter gekomen en is geschrokken en gekwetst. De vrouw heeft dan ook melding gemaakt bij de IND waardoor het nog onduidelijk is of de man überhaupt in Nederland mag blijven. Daarnaast heeft de man, anders dan de vrouw alternatieven. Hij kan bij zijn vriendin gaan wonen of hij kan met zijn inkomen als ZZP’er een particuliere huurwoning huren.
Standpunt man
De man betwist met klem dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk en dat hij een nieuwe of andere vriendin zou hebben. Gelet op de houding en het gedrag van de vrouw is de man genoodzaakt geweest tijdelijk de woning te verlaten om te voorkomen dat er conflicten zouden ontstaan. De man heeft echter anders dan de vrouw, die bij haar kinderen kan verblijven, geen zicht op een andere woning en geen enkel ander alternatief. Tot op heden verblijft de man in zijn vrachtwagen en wanneer zijn financiële situatie dat toelaat verblijft hij elders. Deze situatie is niet langer houdbaar waardoor het huurrecht van de woning aan hem zou moeten worden toebedeeld.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de echtelijke woning. In de huidige woningmarkt, waarin de woningschaarste zeer groot is, is het voor beiden moeilijk om alternatieve woonruimte te vinden. Daarbij hebben zij beiden beperkte mogelijkheden in hun netwerk voor alternatief onderdak. Ieder van partijen heeft zijn of haar eigen redenen waarom hij of zij graag in de woning wil blijven. De rechtbank zal bij toewijzing van de huurwoning daarom een belangenafweging maken.
De belangen van partijen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij het toekennen van het huurrecht van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank laat hierbij zwaar wegen dat de vrouw al ruim 28 jaar in de woning woont en de man nog geen vier jaar geleden erbij is gekomen. Daarnaast is het voor de continuering van de werkzaamheden van de vrouw van belang dat zij dicht bij haar werk blijft wonen gelet op haar gezondheidsklachten. Tot slot betekent het inkomen van de vrouw dat zij alleen in aanmerking zou komen voor een andere sociale huurwoning, waar bijzonder lange wachttijden voor gelden. De man komt met zijn winst uit onderneming van € 55.066,- in 2025 niet in aanmerking voor een sociale huurwoning gelet op de inkomensgrens van € 51.537,- per jaar. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de betaalbare particuliere woningen niet voor het oprapen liggen, zijn deze voor de man toch bereikbaarder dan voor de vrouw en gelden daarvoor geen wachtlijsten. Bijkomend merkt de rechtbank op dat de man met zijn inkomen geen recht heeft op de woning op het moment dat er een inkomenstoets zal plaatsvinden.
De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan haar zal toekomen. Het verzoek van de man tot toedeling van het huurrecht zal worden afgewezen. De vrouw heeft tevens verzocht te bevelen dat de man de woning voorgoed dient te verlaten en na de inschrijving van de echtscheiding niet meer mag betreden. Nu is gebleken dat de man de woning al heeft verlaten en bovendien de toewijzing van het huurrecht aan de vrouw impliceert dat de man de woning niet meer mag betreden, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om dit te bepalen bij gebrek aan belang afwijzen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht
Aangezien de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van de
nevenverzoeken over het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
Omdat de man en de vrouw op [datum] 2022 in [plaats] met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor het toepasselijk recht.
Op grond van artikel 4 van het Verdrag wordt, indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit indien:
door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;
indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:
in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of
in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;
3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
Onweersproken is gesteld dat partijen vóór het huwelijk geen rechtskeuze hebben uitgebracht. Partijen hadden hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland, waarmee ingevolge artikel 4 eerste volzin van het Verdrag Nederlands recht van toepassing zou zijn. Echter, de vrouw had voorafgaand aan het huwelijk de Nederlandse en Turkse nationaliteit en de man de Turske nationaliteit, waarmee sprake van een gemeenschappelijke nationaliteit (de Turkse) in de zin van artikel 4 tweede volzin van het Verdrag. Turkije is geen partij bij het Verdrag en het internationaal privaatrecht van Turkije leidt tot toepassing van het interne Turkse recht. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 4 onder 2, aanhef en onder b, van het Verdrag. Daarom wordt het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het Turkse recht.
Turks recht
Het Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) kent een huwelijksgoederenregime dat het beste kan worden getypeerd als een ‘verwervingsdeelneming’. Dit betekent dat tijdens het huwelijk het vermogen van de partner gescheiden blijft, maar dat bij een echtscheiding de opgebouwde 'verwervingen' bij helfte moeten worden verrekend.
Als verwervingen worden aangemerkt de vermogensbestanddelen die door de echtgenoten tijdens het huwelijksvermogensregime om baat zijn verworven, zoals inkomsten uit arbeid, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vermogensbestanddelen die verwervingen vervangen (artikel 219 TBW). Tot het persoonlijk vermogen van de echtgenoten worden gerekend de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk krachtens erfrecht of anderszins om niet verworven vermogensbestanddelen, vorderingen uit immateriële schade en de vermogensbestanddelen die persoonlijk vermogen vervangen (artikel 220 Turks BW). Het persoonlijk vermogen en de verwervingen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime (art. 228 TBW). De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (art. 235 TBW).
Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot heeft recht op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (art. 236 TBW). De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (art. 231 TBW).
Ten aanzien van schulden volgt uit de artikelen 230 en 231 TBW dat een schuld die betrekking heeft op de verwervingen in de zin van artikel 219 TBW (ook indien zij uitsluitend op naam van één van partijen is gesteld) in de verrekening dient te worden betrokken. Een schuld bezwaart dat gedeelte van het vermogen waarop zij betrekking heeft.
Peildatum
In het Turks recht heeft als peildatum voor het bepalen van de omvang van de verwervingen te gelden het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime. Dit is op grond van artikel 225 jo. 228 TBW het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. In de onderhavige zaak is dit 30 april 2025. De bestanddelen die op dat moment tot de verwervingen behoren moeten ingevolge artikel 235 TBW worden gewaardeerd op het tijdstip van de vereffening.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:
de inboedel;
saldi van de bankrekeningen;
de inkomstenbelasting schuld;
e zorg- en huurtoeslag schuld.
ad a) de inboedel
Niet in geschil tussen partijen is dat enkel de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast onder de te verdelen inboedel behoren en dat deze aan de vrouw worden toebedeeld. De waarde waartegen deze aan de vrouw worden toebedeeld is wel in geschil tussen partijen. De vrouw stelt dat de apparaten € 200,- per stuk waard zijn (totaal € 1.000,-). De man stelt dat de apparaten een waarde hebben van € 1.000,- per apparaat (totaal € 5.000,-). Geen van partijen heeft de waarde van de apparaten onderbouwd waardoor de rechtbank het bedrag per apparaat zal middelen naar € 600,- per apparaat (totaal € 3.000,-). Aan de vrouw zal dus worden toegedeeld de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast onder verrekening van de helft van de waarde, te weten € 1.500,-.
ad b) saldi bankrekeningen
De vrouw verzoekt te bepalen dat de bankrekening van de vrouw en het saldo daarvan
aan de vrouw en de bankrekening van de man en het saldo daarvan aan de man wordt
toebedeeld, zulks zonder nadere verrekening.
De man stelt dat de saldi bij helfte verdeeld moeten worden, per peildatum.
De saldi op de bankrekeningen vormen naar het oordeel van de rechtbank verwervingen in de zin van artikel 219 TBW. Op grond van het hiervoor weergegeven artikel 231 TBW betekent dit enerzijds dat de vrouw recht heeft op de helft van de optelsom van de saldi van de bankrekening van de man per peildatum en anderzijds dat de man recht heeft op de helft van het saldo van de bankrekening ten name van de vrouw per peildatum. Partijen dienen de saldi dienovereenkomstig te verdelen.
ad c) de inkomstenbelasting schuld
De vrouw stelt dat de man op zijn naam diverse (belasting)schulden heeft opgebouwd op zijn naam. Conform Turks recht is volgens de vrouw uitsluitend de man draagplichtig en aansprakelijk voor deze schulden. De vrouw heeft niet betwist dat de belastingschulden van de man bestaan uit de door hem verschuldigde inkomstenbelasting.
De man stelt dat de door hem verschuldigde belastingschuld uit hoofde van de
inkomstenbelasting dient te worden aangemerkt als een schuld die verband houdt
met een verwerving in de zin van artikel 219 TBW. Deze belastingschuld is immers direct gerelateerd aan het inkomen dat gedurende het huwelijk is verworven en waarvan beide partijen hebben geleefd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft een belastingschuld uit hoofde van de inkomstenbelasting betrekking op een verwerving in de zin van artikel 219 TBW, namelijk inkomsten uit arbeid. Deze schulden moet daarom betrokken in de verrekening op grond van het Turkse huwelijksvermogensrecht.
Daarom zal de rechtbank bepalen dat de helft van de belastingschuld van de man per peildatum in de verrekening betrokken dient te worden.
ad d) schuld huur- en zorgtoeslag
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man voor de helft draagplichtig is voor de schulden aangaande de door de vrouw te veel ontvangen huur- en zorgtoeslag en dat hij een bedrag van € 467,50 dient te voldoen aan de vrouw omdat zij al een bedrag van € 935,- heeft afgelost op deze schuld.
De man heeft gesteld dat enkel de schulden met betrekking tot de inkomstenbelasting in de verrekening betrokken kunnen worden. Overige schulden van de vrouw op haar naam vallen volgens de man onder haar privévermogen.
Het is de rechtbank gebleken dat de huur- en zorgtoeslagschulden zijn ontstaan omdat de vrouw naar eigen zeggen vergeten is haar nieuwe inkomenssituatie door te geven. Deze schuld is niet verbonden aan een verwerving in de zin van artikel 219 TBW. Deze schulden behoren daarmee tot het persoonlijk vermogen van de vrouw, zodat zij de schulden zelf moet aflossen. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007, Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
Inzage inkomens gegevens vrouw
De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang, omdat de vrouw in de loop van de procedure haar inkomensgegevens heeft ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vrouw verzoekt als ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoekschrift te bepalen, te weten 30 april 2025. De rechtbank ziet – nu er geen voorlopige voorziening is gevraagd – geen wettelijke grondslag om de partneralimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers. De rechtbank zal die datum als ingangsdatum vaststellen.
Behoefte
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de behoefte van de vrouw van € 2.709,- per maand in 2026. De rechtbank zal de behoefte van de vrouw conform de overeenstemming vaststellen.
Aanvullende behoefte
Tussen partijen is de aanvullende behoefte van de vrouw in geschil.
De man stelt dat de vrouw niet volledig arbeidsongeschikt is verklaard en dat zij de afgelopen jaren tijdens het huwelijk ook fulltime heeft gewerkt. Volgens de man zou er dan ook rekening gehouden moeten worden met een verdiencapaciteit van een fulltime dienstverband aan de zijde van de vrouw.
De vrouw betwist dat zij niet arbeidsongeschikt is verklaard en stelt dat zij - om de man naar Nederland te kunnen halen - naast haar arbeidsongeschiktheidsuitkering voor een korte periode fulltime is gaan werken. Dit heeft niet alleen financiële gevolgen gehad voor de vouw maar ook negatieve gevolgen op haar gezondheid. Gelet daarop is de vrouw parttime gaan werken. De vrouw doet dit nog steeds en werkt dus meer dan dat zij volgens de artsen zou moeten werken. De vrouw had dan ook graag meer willen werken, echter is dit onverantwoord en niet haalbaar.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting met partijen is besproken is de rechtbank gebleken dat de vrouw in 2018 100% arbeidsongeschikt is verklaard. De vrouw ontving daarom een WIA-uitkering. Het is de rechtbank voldoende aannemelijk gebleken dat de vrouw sinds 1 december 2021 in dienst getreden bij haar huidige werkgever stichting Zorggroep Florence om te zorgen dat zij de man naar Nederland kon halen gelet op de inkomenseisen die de IND stelt. Dit heeft tot gevolg gehad dat de WIA-uitkering van de vrouw op 28 november 2023 is stopgezet. Sindsdien werkt de vrouw parttime. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op haar gezondheidsklachten niet van de vrouw verwacht kan worden dat zij fulltime zal gaan werken. De rechtbank zal voor de berekening van haar aanvullende behoefte dan ook de door haar overgelegde IB aangifte 2025 als uitgangspunt nemen.
Verder houdt de rechtbank rekening met de fiscale algemene- en de arbeidsheffingskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.849,- per maand. Op haar NBI dient de helft van de belastingschuld van € 480,- per maand in mindering worden gebracht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.De vrouw heeft daardoor een aanvullende behoefte in 2026 van( € 2.709 – (€ 1.849,- - € 480,-) =) € 1.340,- per maand. Dat is € 2.500,-,- bruto per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil.
De vrouw heeft gesteld dat als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man zijn winst uit onderneming over de jaren 2024 en 2025 genomen dient te worden, omdat de man in 2023 niet het hele jaar heeft gewerkt. De man heeft deze stelling niet betwist, zodat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man als uitgangspunt het gemiddelde van zijn winst uit onderneming over 2024 van € 42.676,- per jaar en over 2025 van € 55.066,- zal nemen, te weten € 48.871,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandige- en de startersaftrek en de MKB-vrijstelling.
Uitgaande hiervan berekent de rechtbank het NBI van man in 2026 op € 3.388,- per maand.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
Tussen partijen is in geschil welke lasten in mindering op de draagkracht(ruimte) van de man moeten worden gebracht en of de rechtbank rekening dient te houden met het woonbudget aan de zijde van de man.
Ten aanzien van het woonbudget overweegt de rechtbank dat hoewel de woonsituatie van de man op dit moment onduidelijk is, dit onverlet laat dat hij weer op zoek zal moeten gaan naar een woning, te meer omdat de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw heeft toegekend. De rechtbank zal daarom rekening houden met het woonbudget aan de zijde van de man.
Kosten leaseauto
De man heeft aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten voor zijn leaseauto van € 904,- per maand.
De vrouw heeft gesteld dat geen rekening gehouden moet worden met deze kosten. De vrouw heeft aangevoerd dat de (dure) leaseauto voor de man niet noodzakelijk is en het dus gaat om verwijtbare en vermijdbare kosten.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten voor de leaseauto. Dit zijn immers consumptieve kosten, nu de man het genot van de auto heeft en zal blijven houden omdat de auto niet in de afwikkeling van het huwelijksvermogen is betrokken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de leaseauto al in november 2026 is afbetaald en dat de man dan eigenaar is van de auto. Het ligt daarmee niet voor de hand om de nu nog bestaande schuld te laten drukken op de draagkracht van de man. Uit de stukken en op de zitting is tot slot niet gebleken dat sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last van de man, waarmee bij het bepalen van de draagkracht rekening moet worden gehouden.
Schuld bij de Belastingdienst
De man heeft aangevoerd dat hij een schuld heeft bij de Belastingdienst en hier € 960,- per maand op aflost. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met deze betalingsverplichting van de man geen rekening moet worden gehouden.
De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor overwogen bij de verdeling van de schuld naar Turks recht, het een schuld betreft die partijen bij helfte moeten dragen. Omdat het gaat om een inkomstenbelastingschuld, is deze schuld naar het oordeel van de rechtbank niet verwijtbaar en vermijdbaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met een last van € 480,- per maand (960/2) aan de zijde van de man voor de berekening van zijn draagkracht.
Gelet op het bovenstaande bedraagt de draagkracht van de man daarmee € 316,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 493,- per maand. Aangezien de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 493,- bruto per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2022 in [plaats]
*
bepaalt dat de vrouw huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres] ;
*
stelt de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en rekening houdend met het toepasselijk recht, als volgt vast:
de vaatwasser, de afzuigkap, de oven, de inductiekookplaat en de koelkast worden aan de vrouw toegedeeld, waarbij de vrouw een bedrag van € 1.500,- zal voldoen ter afrekening van de waarde van de inboedelgoederen;
de saldi op de bankrekeningen zullen partijen per peildatum verrekenen;
aan de man komt een vordering toe ter hoogte van de helft van de inkomstenbelastingschuld per peildatum;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding is de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie zal betalen van € 439,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026.
