ECLI:NL:RBDHA:2026:27806

Vrijspraak van zware mishandeling met voorbedachten rade en bedreiging. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling van een ambtenaar en vernieling. Feiten zijn gepleegd tijdens behandeling in Forensisch Jeugd Centrum. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden en oplegging tbs-maatregel met dwangverpleging. Verminderd to...

Rechtbank Den Haag 1 October 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:27806 text/xml public 2026-10-01T08:49:09 2026-09-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-09-18 09/091049-26, 09/005175-26 en 10/179486-23 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:27806 text/html public 2026-10-01T08:48:52 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:27806 Rechtbank Den Haag , 18-09-2026 / 09/091049-26, 09/005175-26 en 10/179486-23 (tul)
Vrijspraak van zware mishandeling met voorbedachten rade en bedreiging. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling van een ambtenaar en vernieling. Feiten zijn gepleegd tijdens behandeling in Forensisch Jeugd Centrum. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden en oplegging tbs-maatregel met dwangverpleging. Verminderd toerekeningsvatbaar. Afwijzing vordering tenuitvoerlegging.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/091049-26, 09-005175-26 en 10/179486-23 (tul)

Datum uitspraak: 18 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] , Somalië,

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 juli 2026 (pro forma) en 4 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.J.A.P. van Breukelen naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I (parketnummer: 09/091049-26)

1

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , aan een medewerker van [Forensisch centrum] , te weten de groepsleider van de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling) met dienstnummer [dienstnummer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten oogletsel en/of (eerste- en tweedegraads) brandwonden met pigmentvlekken in het gezicht tot gevolg heeft toegebracht door kokend/gekookt, althans heet water in het gezicht van die medewerker te gooien;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een medewerker van [Forensisch centrum] , te weten de groepsleider van de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling) met dienstnummer [dienstnummer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, kokend/gekookt, althans heet water in het gezicht van die medewerker heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] een medewerker van [Forensisch centrum] , te weten de groepsleider van de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling) met dienstnummer [dienstnummer] heeft mishandeld, door kokend/gekookt, althans heet water in het gezicht van die medewerker te gooien, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;

2

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een medewerker van het IBT van [Forensisch centrum] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die medewerker dreigend de woorden toe te voegen: "Jij komt ook nog aan de beurt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3

hij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] opzettelijk en

wederrechtelijk een of meer ra(a)m(en), een vaatwasmachine en/of een afzuigkap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [Forensisch centrum] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Dagvaarding II (parketnummer 09/005175-26)

hij op of omstreeks 6 september 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] (werkzaam als groepsleider [Forensisch centrum] ) heeft mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.
3De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I, onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot dagvaarding II heeft de officier van justitie eveneens tot bewezenverklaring gerekwireerd.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het bij dagvaarding I onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Tevens heeft de raadsman vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2. Ten aanzien van feit 3 en het onder dagvaarding II tenlastegelegde heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Vrijspraak

Dagvaarding I, feit I primair

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder feit 1 primair tenlastegelegde feit van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij de groepsleider van de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling) met dienstnummer [dienstnummer] (hierna: de groepsleider) is veroorzaakt niet objectief valt vast te stellen. Weliswaar verklaarde de groepsleider tegen een verbalisant over de aanwezigheid van littekens en pigmentvlekken, maar in het dossier ontbreken medische stukken ter onderbouwing daarvan. De rechtbank heeft slechts een medisch rapport van het eerste huisartsbezoek waaruit blijkt dat de groepsleider geen blaarvorming op de huid had en voor de zekerheid een vette zalf voorgeschreven heeft gekregen.

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende informatie naar voren is gekomen over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel om het letsel aan te kunnen merken als zwaar lichamelijk letsel. Hieraan ligt ten grondslag dat het dossier geen onderbouwde medische rapporten bevat met betrekking tot deze factoren, waardoor de rechtbank niet in staat is het bestaan, de mate van ontsiering en de permanentie van de pigmentvlekken en de littekens te beoordelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat óók geen sprake is van een evident geval waardoor de gezichtspunten met algemene ervaringsregels kunnen worden beoordeeld.

De verdachte zal daarom van het bij dagvaarding I onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Dagvaarding I, feit 2

Tevens is de rechtbank met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van de bedreiging bevat het dossier enkel de verklaring van [naam] die namens een medewerker van het IBT heeft verklaard. Deze verklaring wordt niet ondersteund door ander bewijs in het dossier. Hierdoor wordt het wettelijke bewijsminimum niet gehaald. Daar komt bij dat het voor de rechtbank ook niet duidelijk is tegen wie de vermeende bedreiging gericht zou zijn geweest.

De verdachte zal daarom van het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna ten aanzien van dagvaarding I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Voor dagvaarding II zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit en heeft de officier van justitie eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit ten aanzien van dagvaarding I de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026102237, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 61) en ten aanzien van dagvaarding II de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025302786, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 14).

Ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 3

1. Het proces-verbaal van aangifte opgemaakt op 25 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 8-9):

Op 24 maart 2026 heeft [de verdachte] een medewerker van het [Forensisch centrum] (zwaar) mishandeld. Op de etenskar stond achter eierdozen een beker heet water verstopt. Hierop pakte [de verdachte] de beker met heet water en wierp deze over de

medewerker in zijn gezicht. De medewerker stond op 30 centimeter afstand van [de verdachte] . [de verdachte] heeft op de afdeling met pannen tegen de ramen van de keuken geslagen en tegen de vaatwasmachine. Op de beveiligingscamera's is te zien dat [de verdachte] deze vernielingen pleegt. Verder is het raam van het kantoor vernield. Op de camera's is te zien dat [de verdachte] dit ook heeft gedaan.

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1

2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [de verdachte] , opgemaakt op 25 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 54-59):

Ik gooide een bekertje kokend water over hem. Dat water kwam uit de eierkoker vandaan. Ik had dat water in een bekertje gedaan. Ik had die beker op het karretje gezet. Toen liep ik naar hem en gooide ik het. Tegen de begeleiding. In zijn gezicht.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 30-31):

Mijn dienstnummer is [dienstnummer] . Ik ben groepsleider bij de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling). 24 maart 2026 was ik werkzaam als groepsleider. Ik zag [de verdachte] komen aanlopen. Op dat moment zag ik [de verdachte] een gooiende beweging maken. Direct daarna voelde ik hete vloeistof op mijn gezicht, Ik zag dat [de verdachte] de gooibeweging specifiek in mijn richting maakte. Op de afdeling hebben wij een keuken. In de keuken staat een elektrische kookplaat. Als er heet water nodig is dan kan dat gekookt worden in een pannetje op de elektrische kookplaat. Kokend heet water is verder dus niet makkelijk te pakken.

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 3

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 september 2026, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik dat raam kapot heb geslagen, het raam van de keuken. Het klopt dat ik ook de vaatwasser heb vernield, daar heb ik tegen geschopt.

Ten aanzien van dagvaarding II

5. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 augustus 2026;

6. Het proces-verbaal van aangifte opgemaakt op 25 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 8-9).
3.5.
Bewijsoverwegingen

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet vast komen te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval een zwaarder gewicht moet toekomen aan de contra-indicaties omdat de verdachte zich (kortgezegd) niet daadwerkelijk heeft beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen. De raadsman voert hiertoe aan dat uit de door de psycholoog en psychiater opgestelde rapporten blijkt dat de verdachte door zijn persoonlijkheidsproblematiek niet in staat is zijn gedrag te remmen, sturen of te stoppen en dat zijn keuzemogelijkheden dan ook beperkter zijn. Hieruit zou volgen dat de verdachte niet zou hebben nagedacht over het gevolg van zijn handelen, waardoor er geen sprake zou zijn van voorbedachte raad.

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier vast dat de verdachte “iets” tegen de groepsleider wilde doen. Vervolgens heeft hij water gekookt in een eierkoker – een handeling die enige tijd in beslag neemt – waarna hij dit water in een beker heeft gegoten. De met heet water gevulde beker heeft de verdachte daarna verdekt opgesteld op de etenskar om vervolgens richting de groepsleider te lopen. Toen de verdachte dichtbij genoeg was heeft hij het water in het gezicht van de groepsleider gegooid.

De rechtbank concludeert op grond van de volgorde van de handelingen van de verdachte voorafgaand aan het gooien van het water richting het gezicht van de groepsleider, dat hij voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Zijn handelen was doordacht en gericht. Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Voor zover hij voor en tijdens de uitvoering van zijn daad beperkte keuzemogelijkheden heeft gehad, zoals de raadsman heeft gesteld, leidt niet tot de conclusie dat de verdachte in deze situatie geen keuzemogelijkheden had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Opzet/voorwaardelijk opzet

Uit de inhoud van het dossier volgt niet dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vervolgens dient de vraag te worden gesteld of sprake was van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in de concrete omstandigheden van dit geval geen aanmerkelijke kans bestond op het intreden van zwaar lichamelijk letsel omdat omtrent de temperatuur van het water en de afstand waarvan het water is gegooid niets is komen vast te staan.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het dossier volgt dat de verdachte in zijn politieverhoor heeft bekend dat hij een beker met kokend water in de richting van het gezicht van de groepsleider heeft gegooid. De rechtbank gaat uit van deze verklaring van de verdachte bij de politie, omdat deze kort na het plegen van het feit is afgelegd. Uit het dossier blijkt dat het water het gezicht van de groepsleider heeft geraakt.

Naar algemene ervaringsregels kan (het gooien met) gekookt water zorgen voor ernstige brandwonden, met blijvende littekens tot gevolg. Het handelen van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ten tijde van zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de groepsleider zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Ondanks dat de gedraging van de verdachte naar algemene ervaringsregels zwaar lichamelijk letsel kán veroorzaken, heeft de rechtbank onder 3.3 gemotiveerd dat in dit geval het bestaan van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden verklaard. Dit maakt dat de rechtbank het delict niet als voltooid beschouwt en komt zij tot bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Ook is de rechtbank met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

1

hij op 24 maart 2026 te [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een medewerker van [Forensisch centrum] , te weten de groepsleider van de afdeling ITA (Individueel Traject Afdeling) met dienstnummer [dienstnummer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, gekookt water in het gezicht van die medewerker heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op 24 maart 2026 te [plaats 2] , opzettelijk en wederrechtelijk ramen en een vaatwasmachine die geheel of ten dele aan [Forensisch centrum] toebehoorden heeft vernield en onbruikbaar gemaakt.

Dagvaarding II

hij op 6 september 2025 te [plaats 2] , [slachtoffer] (werkzaam als groepsleider PI [Forensisch centrum] ) heeft mishandeld, door die [slachtoffer] te slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid (volledig) uitsluiten.

6. De oplegging van de straf en de maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts primair gevorderd dat aan de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd voor ongemaximeerde duur. Subsidiair vordert de officier van justitie dat de tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: de 38z-maatregel) aan de verdachte wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, met het oog op de betoogde vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde, niet is voldaan aan de criteria voor de oplegging van de een tbs-maatregel. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd, waarbij één van de voorwaarden is dat de verdachte wordt opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK). Meer subsidiair verzoekt de raadsman de zaak aan te houden opdat de reclassering nader onderzoek kan doen naar de mogelijkheden van plaatsing in een FPK in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Nog meer subsidiair verzoekt de raadsman het tijdstip waarop de tbs-maatregel dient aan te vangen te bepalen mocht de rechtbank oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging en een langere gevangenisstraf dan de tijd reeds in voorarrest doorgebracht bepalen. Meest subsidiair verzoekt de raadsman de 38z-maatregel niet op te leggen indien de rechtbank overgaat tot oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Terwijl de verdachte in het kader van een lopende PIJ-maatregel opgenomen was in een Forensisch Jeugd Centrum heeft hij geprobeerd één van de begeleiders zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door heet water in zijn gezicht te gooien, de faciliteiten van de instelling vernield en een andere begeleider in zijn gezicht geslagen. Met deze geweldshandelingen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat de slachtoffers werkzaam waren binnen de instelling waarin de verdachte verbleef. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook extra aan dat deze personen slachtoffer zijn geworden van zijn handelen. Met de vernieling heeft de verdachte daarnaast geen blijk van enig respect gegeven voor andermans eigendom.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte de afgelopen vijf jaren meermaals is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de bevindingen en conclusies van Dr. J. van der Meer, psychiater (hierna: psychiater), en drs. [psycholoog] , GZ-psycholoog (hierna: psycholoog), zoals neergelegd in de Pro Justitia-rapporten van respectievelijk 9 juli 2026 en 3 juli 2026. De bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen houden – voor zover hier van belang – het volgende in.

Uit beide rapporten is naar voren gekomen dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde persoonlijkheidskenmerken en zwakbegaafdheid. Mogelijk is sprake van een lichte verstandelijke beperking. De genoemde stoornissen bestonden ook ten tijde van het tenlastegelegde. Als onderdeel van deze problematiek is er een verhoogde achterdocht, een gestoorde regulatie van agressieve impulsen, zijn er weinig copingmogelijkheden en is er een gestoorde gewetensfunctie. De uit de cognitieve beperking voortkomende begripsproblemen zorgen dat de verdachte sneller in conflict komt met anderen en situaties eerder verkeerd inschat. De paranoïde persoonlijkheidskenmerken zorgen er daarnaast voor dat er een verhoogde achterdocht is naar mensen, waardoor eveneens eerder conflicten ontstaan. Vervolgens zorgen de gestoorde impulscontrole en de gestoorde gewetensfunctie dat eerder boosheid ontstaat en eerder wordt overgegaan tot het inzetten van geweld. Beide deskundigen adviseren om de ten laste gelegde feiten bij een bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten van de psychiater en de psycholoog op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden hun conclusies gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing.

De rechtbank neemt gelet hierop de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal daarom de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de het reclasseringsadvies over de verdachte van 11 augustus 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering het risico op recidive, net als de gedragsdeskundigen, hoog inschat. Om dit hoge risico te reduceren is een intensieve, klinische behandeling nodig, gericht op het vergroten van probleeminzicht, het aanleren van adequate copingvaardigheden en het leren omgaan met de vastgestelde pathologie.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht strafverlagend dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de verdachte van de bij dagvaarding I onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken.

De tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank concludeert op basis van de Pro Justitia-rapporten en het reclasseringsadvies dat, gelet op de stoornissen van de verdachte, het recidive risico hoog is.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan. De onder 1 van dagvaarding I en onder dagvaarding II bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een hoog recidiverisico. De rechtbank ontleent de inschatting van dat risico aan de inhoud van de Pro Justitia-rapporten en het reclasseringsrapport. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eisen dan ook dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Hoewel de verdachte verklaard heeft dat hij gemotiveerd is om te werken aan zijn problemen met het reguleren van agressie, is het onderzoek en de behandeling in het kader van de PIJ-maatregel tot op heden moeizaam verlopen. Daarom is behandeling in het kader van tbs met bijzondere voorwaarden niet realistisch. Verder neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en psycholoog over dat een intensieve en langdurige behandeling voor de problematiek van de verdachte noodzakelijk is, om het risico op recidive te verminderen. Aangezien behandeling nodig is op het niveau van een Forensisch Psychiatrisch Centrum, kan behandeling op de Individueel Traject Afdeling van Justitiële Jeugdinrichtingen onvoldoende de veiligheid van personeelsleden waarborgen. Omdat de verdachte beperkt meewerkte aan behandeling zal alleen de tbs-maatregel met dwangverpleging het hoge recidivegevaar effectief kunnen verlagen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging geboden is. De rechtbank begrijpt dat een tbs-maatregel met dwangverpleging een ingrijpende en vergaande maatregel is, maar toch is zij van oordeel dat dit de enige passende maatregel is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij, net als de deskundigen, minimaal zelfinzicht en geringe behandelingsbereidheid bij de verdachte ziet. Daarnaast ziet zij onvoldoende aanleiding om af te wijken van het reclasseringsadvies, waarin uitdrukkelijk negatief wordt geadviseerd over de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat de tbs-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot zware mishandeling en een mishandeling van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.
7De vordering tot tenuitvoerlegging 7.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tijdens de terechtzitting gelet op de gevorderde straf en maatregel, geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met parketnummer 10/179486-23.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen omdat toewijzing niet opportuun is gelet op de gevorderde gevangenisstraf en maatregel.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de door de rechtbank opgelegde straf en maatregel voor de feiten van dagvaarding I en II is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van de vordering niet opportuun is. De rechtbank zal de vordering tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

37a, 37b, 45, 57, 300, 303, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, en onder 3 ten laste gelegde feiten, en het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I

feit 1:

poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken;

Ten aanzien van dagvaarding II

mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/179486-23.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Essen, voorzitter,

mr. F. Bouman, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. E.D. Six en F.A.M. Schuijt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.

Artikel delen