ECLI:NL:RBDHA:2026:28104
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek afgewezen.
Rechtbank Den Haag 2 October 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:28104
text/xml
public
2026-10-02T11:52:58
2026-09-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-25
C/09/708784 / JE RK 26-1198
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:28104
text/html
public
2026-10-02T11:52:22
2026-10-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:28104 Rechtbank Den Haag , 25-08-2026 / C/09/708784 / JE RK 26-1198
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek afgewezen.
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling. Verzoek afgewezen.
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708784 / JE RK 26-1198
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V.L.T. van Roy uit Leiden.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;
het verweerschrift namens de moeder, ontvangen op 24 augustus 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het afgelopen jaar hebben [de minderjarige] en de moeder verbleven in het Babyhuis. Sinds mei wonen zij weer thuis waarbij de moeder de volledige zorg voor [de minderjarige] draagt. Vanuit Gemiva wordt twee dagdelen per week ondersteuning geboden aan de moeder bij het plannen en organiseren van het huishouden in de dagstructuur. Het is voor de moeder soms moeilijk om de leefomgeving een langere periode veilig en geordend te houden. Daarnaast ontvangt de moeder ondersteuning vanuit maatschappelijk werk van Aemosa en heeft zij individuele hulpverlening bij de Brijder. Er wordt een sociaal medische indicatie voor de moeder aangevraagd opdat [de minderjarige] enkele dagdelen naar de kinderopvang kan. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk om de komende periode te monitoren of de moeder voldoende aansluit bij [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling wil zicht krijgen op welke punten de moeder nog stappen kan zetten en op welke punten de moeder nog ondersteuning en begeleiding nodig heeft. Daarnaast heeft de gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling geadviseerd om zicht te krijgen op de emotionele aansluiting van de moeder bij [de minderjarige] . Een andere factor die meespeelt is de mogelijke uitkomst van het vaderschapsonderzoek van de vermoedelijke biologisch vader van [de minderjarige] . Deze man is in het verleden dreigend geweest naar de moeder en de situatie zorgt voor spanningen bij de moeder. De gecertificeerde instelling vindt het van belang om de komende periode betrokken te blijven bij het gezin.
4Het standpunt
4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft het afgelopen jaar hard aan zichzelf gewerkt. Het verblijf bij het Babyhuis is succesvol doorlopen waarbij alle doelen zijn behaald. De moeder verblijft al sinds de kerst 2025 gedurende vier dagen per week alleen met [de minderjarige] thuis. De verstandhouding met het Babyhuis is nog altijd zeer goed. Op het moment dat zij een hulpvraag heeft kan zij contact opnemen en gebruik maken van het advies van het Babyhuis. Verder heeft de moeder hulpverlening vanuit de Brijder, waarbij zij op eigen verzoek gedurende langere periode dan nodig urinecontroles heeft en zal laten uitvoeren. Ook ontvangt de moeder hulpverlening vanuit Aemosa, Gemiva, heeft zij huishoudelijke hulp en contact met buurtgezinnen. [de minderjarige] is daarnaast aangemeld bij een kinderdagverblijf wat belangrijk is voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Tegelijkertijd biedt dit de moeder de ruimte om tegelijkertijd te werken aan haar problematiek en het vergroten van haar draagkracht. De moeder benadrukt dat er, anders dan door de gecertificeerde instelling wordt gesuggereerd, geen hersenschade bij haar is geconstateerd. Zij wil dit de komende periode nader laten onderzoeken. Er is volgens de moeder geen noodzaak om de ondertoezichtstelling te verlengen. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed en de moeder accepteert hulpverlening en weet dit op eigen initiatief in te zetten. Indien de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologisch vader van [de minderjarige] blijkt te zijn, zal de moeder in samenspraak met Gemiva, en indien nodig ook met Cardea, bespreken wat nodig is voor begeleide bezoeken tussen hem en [de minderjarige] . De moeder vindt het belangrijk dat dit contact positief kan verlopen. Zij acht hiervoor de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling niet noodzakelijk.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. De zorgen die tijdens de zwangerschap en in de periodekort na de bevalling hebben geleid tot de ondertoezichtstelling worden op dit moment niet meer gezien. De moeder heeft het afgelopen jaar bij de Brijder gewerkt aan haar verslavingsproblematiek. Blijkens urinecontroles is zij al anderhalf jaar nuchter. Zij heeft thans nog wekelijks gesprekken, krijgt EMDR-therapie en urinecontroles. Hierdoor is er zicht op haar problematiek. De moeder heeft tijdens het verblijf in het Babyhuis laten zien dat zij in staat is aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Het Babyhuis heeft geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Sinds de kerst 2025 draagt de moeder al een groot deel van de week alleen de zorg voor [de minderjarige] in de thuissituatie. Verder wordt in de thuissituatie hulpverlening vanuit Gemiva en Aemosa ingezet. De moeder krijgt verder ondersteuning in de vorm van huiselijke hulp en buurtgezinnen. Het lukt de moeder om hulpverleners om advies te vragen op het moment dat zij een hulpvraag heeft. De zorgen van de gecertificeerde instelling lijken thans enkel gelegen in de spanning en onduidelijkheid rondom de situatie van de vermoedelijke biologisch vader van [de minderjarige] . De kinderrechter ziet hierin geen risico voor een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder krijgt juridische hulp in de procedure van de vermoedelijke biologische vader over het vaderschap en zij weet verder de weg naar voornoemde hulpinstanties, maar ook Cardea, te vinden en zet deze indien nodig zelf in. Daarbij heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij met Gemiva dan wel Cardea zal bespreken wat mogelijk is in het contact tussen [de minderjarige] en de vermoedelijke biologische vader indien hij daadwerkelijk de vader van [de minderjarige] blijkt te zijn. De kinderrechter heeft er alle vertrouwen in dat indien er opnieuw een ernstige ontwikkelingsbedreiging zou ontstaan bij [de minderjarige] , de moeder in staat is om deze door middel van hulpverlening in het vrijwillig kader weg te nemen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 31 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708784 / JE RK 26-1198
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V.L.T. van Roy uit Leiden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;
het verweerschrift namens de moeder, ontvangen op 24 augustus 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 augustus 2026.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het afgelopen jaar hebben [de minderjarige] en de moeder verbleven in het Babyhuis. Sinds mei wonen zij weer thuis waarbij de moeder de volledige zorg voor [de minderjarige] draagt. Vanuit Gemiva wordt twee dagdelen per week ondersteuning geboden aan de moeder bij het plannen en organiseren van het huishouden in de dagstructuur. Het is voor de moeder soms moeilijk om de leefomgeving een langere periode veilig en geordend te houden. Daarnaast ontvangt de moeder ondersteuning vanuit maatschappelijk werk van Aemosa en heeft zij individuele hulpverlening bij de Brijder. Er wordt een sociaal medische indicatie voor de moeder aangevraagd opdat [de minderjarige] enkele dagdelen naar de kinderopvang kan. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk om de komende periode te monitoren of de moeder voldoende aansluit bij [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling wil zicht krijgen op welke punten de moeder nog stappen kan zetten en op welke punten de moeder nog ondersteuning en begeleiding nodig heeft. Daarnaast heeft de gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling geadviseerd om zicht te krijgen op de emotionele aansluiting van de moeder bij [de minderjarige] . Een andere factor die meespeelt is de mogelijke uitkomst van het vaderschapsonderzoek van de vermoedelijke biologisch vader van [de minderjarige] . Deze man is in het verleden dreigend geweest naar de moeder en de situatie zorgt voor spanningen bij de moeder. De gecertificeerde instelling vindt het van belang om de komende periode betrokken te blijven bij het gezin.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft het afgelopen jaar hard aan zichzelf gewerkt. Het verblijf bij het Babyhuis is succesvol doorlopen waarbij alle doelen zijn behaald. De moeder verblijft al sinds de kerst 2025 gedurende vier dagen per week alleen met [de minderjarige] thuis. De verstandhouding met het Babyhuis is nog altijd zeer goed. Op het moment dat zij een hulpvraag heeft kan zij contact opnemen en gebruik maken van het advies van het Babyhuis. Verder heeft de moeder hulpverlening vanuit de Brijder, waarbij zij op eigen verzoek gedurende langere periode dan nodig urinecontroles heeft en zal laten uitvoeren. Ook ontvangt de moeder hulpverlening vanuit Aemosa, Gemiva, heeft zij huishoudelijke hulp en contact met buurtgezinnen. [de minderjarige] is daarnaast aangemeld bij een kinderdagverblijf wat belangrijk is voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Tegelijkertijd biedt dit de moeder de ruimte om tegelijkertijd te werken aan haar problematiek en het vergroten van haar draagkracht. De moeder benadrukt dat er, anders dan door de gecertificeerde instelling wordt gesuggereerd, geen hersenschade bij haar is geconstateerd. Zij wil dit de komende periode nader laten onderzoeken. Er is volgens de moeder geen noodzaak om de ondertoezichtstelling te verlengen. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed en de moeder accepteert hulpverlening en weet dit op eigen initiatief in te zetten. Indien de vermoedelijke biologische vader daadwerkelijk de biologisch vader van [de minderjarige] blijkt te zijn, zal de moeder in samenspraak met Gemiva, en indien nodig ook met Cardea, bespreken wat nodig is voor begeleide bezoeken tussen hem en [de minderjarige] . De moeder vindt het belangrijk dat dit contact positief kan verlopen. Zij acht hiervoor de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling niet noodzakelijk.
De kinderrechter overweegt het volgende. De zorgen die tijdens de zwangerschap en in de periodekort na de bevalling hebben geleid tot de ondertoezichtstelling worden op dit moment niet meer gezien. De moeder heeft het afgelopen jaar bij de Brijder gewerkt aan haar verslavingsproblematiek. Blijkens urinecontroles is zij al anderhalf jaar nuchter. Zij heeft thans nog wekelijks gesprekken, krijgt EMDR-therapie en urinecontroles. Hierdoor is er zicht op haar problematiek. De moeder heeft tijdens het verblijf in het Babyhuis laten zien dat zij in staat is aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Het Babyhuis heeft geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Sinds de kerst 2025 draagt de moeder al een groot deel van de week alleen de zorg voor [de minderjarige] in de thuissituatie. Verder wordt in de thuissituatie hulpverlening vanuit Gemiva en Aemosa ingezet. De moeder krijgt verder ondersteuning in de vorm van huiselijke hulp en buurtgezinnen. Het lukt de moeder om hulpverleners om advies te vragen op het moment dat zij een hulpvraag heeft. De zorgen van de gecertificeerde instelling lijken thans enkel gelegen in de spanning en onduidelijkheid rondom de situatie van de vermoedelijke biologisch vader van [de minderjarige] . De kinderrechter ziet hierin geen risico voor een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder krijgt juridische hulp in de procedure van de vermoedelijke biologische vader over het vaderschap en zij weet verder de weg naar voornoemde hulpinstanties, maar ook Cardea, te vinden en zet deze indien nodig zelf in. Daarbij heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij met Gemiva dan wel Cardea zal bespreken wat mogelijk is in het contact tussen [de minderjarige] en de vermoedelijke biologische vader indien hij daadwerkelijk de vader van [de minderjarige] blijkt te zijn. De kinderrechter heeft er alle vertrouwen in dat indien er opnieuw een ernstige ontwikkelingsbedreiging zou ontstaan bij [de minderjarige] , de moeder in staat is om deze door middel van hulpverlening in het vrijwillig kader weg te nemen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 31 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
