ECLI:NL:RBGEL:2026:7177
Wet WIA. Het beroep is ongegrond. In de hogerberoepsprocedure heeft de CRvB geoordeeld dat de, naar aanleiding van deskundigenonderzoek aangepaste, FML over 2018 in stand kan blijven. Volgens de verzekeringsartsen van het UWV geldt deze FML ook voor de datum die in deze zaak wordt beoordeeld, omdat de medische situatie en beperkingen niet wezenlijk waren veranderd. Eiser heeft geen nieuwe medis...
Rechtbank Gelderland 29 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2026:7177
text/xml
public
2026-09-29T15:01:45
2026-09-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-09-22
ARN 24/7862
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:7177
text/html
public
2026-09-18T10:19:56
2026-09-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:7177 Rechtbank Gelderland , 22-09-2026 / ARN 24/7862
Wet WIA. Het beroep is ongegrond. In de hogerberoepsprocedure heeft de CRvB geoordeeld dat de, naar aanleiding van deskundigenonderzoek aangepaste, FML over 2018 in stand kan blijven. Volgens de verzekeringsartsen van het UWV geldt deze FML ook voor de datum die in deze zaak wordt beoordeeld, omdat de medische situatie en beperkingen niet wezenlijk waren veranderd. Eiser heeft geen nieuwe medische informatie aangevoerd die aanleiding geeft om daarvan af te wijken.
Wet WIA. Het beroep is ongegrond. In de hogerberoepsprocedure heeft de CRvB geoordeeld dat de, naar aanleiding van deskundigenonderzoek aangepaste, FML over 2018 in stand kan blijven. Volgens de verzekeringsartsen van het UWV geldt deze FML ook voor de datum die in deze zaak wordt beoordeeld, omdat de medische situatie en beperkingen niet wezenlijk waren veranderd. Eiser heeft geen nieuwe medische informatie aangevoerd die aanleiding geeft om daarvan af te wijken.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Tracey),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: T.I. Gerritsen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 28 oktober 2021. Eiser is het niet eens met de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 30 april 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 63,96% bedraagt, maar dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting schriftelijk afgemeld. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon] .
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan deze procedure vooraf
3. Eiser was werkzaam als [functie] voor 44,52 uur per week. Hij heeft zich op 12 mei 2009 ziek gemeld. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft het UWV een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek verricht op grond waarvan eiser per 10 mei 2011 voor 39,66% arbeidsongeschikt is geacht en aan hem een WIA-uitkering is toegekend. Omdat eiser aangepast werk verrichtte werden zijn inkomsten hierop in mindering gebracht.
3.1.
Op 24 juni 2017 heeft eiser zich bij het UWV toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van het UWV een medisch onderzoek verricht en in dit kader op 5 december 2017 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft aan de hand van de FML vastgesteld dat eiser zijn eigen werk niet meer kan verrichten maar nog wel in staat is andere passende arbeid te verrichten. Aan de hand van vijf geselecteerde functies is de resterende verdiencapaciteit van eiser vastgesteld op 62,27%. Met het besluit van 2 februari 2018 heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser per 1 september 2017 verhoogd. De (ex-)werkgever van eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, wat door het UWV ongegrond is verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.2.
Naar aanleiding van een nieuwe melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van eiser in februari 2018 heeft het UWV wederom een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de FML van 5 december 2017 nog steeds geldt. De arbeidsdeskundige heeft nieuwe functies geselecteerd waaruit volgt dat eiser voor 62,24% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 26 oktober 2018 heeft het UWV besloten dat de WIA-uitkering van eiser niet wijzigt. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) de FML van 1 oktober 2018 bevestigd. Met de beslissing op bezwaar van 14 maart 2019 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij zijn besluit van 26 oktober 2018 gebleven. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld dat door de rechtbank ongegrond is verklaard.
3.3.
Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiser hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft een verzekeringsarts b&b de FML aangepast. Een arbeidsdeskundige b&b heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 19 oktober 2018 vastgesteld op 64,89%. Het UWV heeft naar aanleiding hiervan een nieuwe beslissing op bezwaar genomen op 20 januari 2023. De Centrale Raad van Beroep heeft de beslissing op bezwaar van 20 januari 2023 bij de hoger beroepsprocedure betrokken. Nadien heeft de verzekeringsarts b&b de FML op 14 maart 2023 nog eens aangepast. De CRvB heeft een multidisciplinair expertiseonderzoek gelast, waarvan op 17 mei 2024 en op 6 december 2024 rapport is opgesteld. Uit de uitspraak van de CRvB van 11 juni 2025 volgt dat de verzekeringsarts b&b de bevindingen en conclusies van de deskundige heeft gevolgd en opnieuw de FML heeft aangepast op 12 oktober 2024. Na een schriftelijke ronde heeft de verzekeringsarts b&b de FML nog eens aangepast op 24 februari 2025. De CRvB heeft geoordeeld dat deze FML van 24 februari 2025 in stand kan blijven, dat de daarop gebaseerde mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht is vastgesteld op 64,89% en dat het hoger beroep ongegrond is.
3.4.
Op 28 oktober 2021 heeft eiser bij het UWV melding toegenomen arbeidsongeschiktheid gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts rapporteert dat in grote lijnen sprake is van dezelfde medische problematiek als in 2018, in verband waarmee de hoger beroepsprocedure bij de CRvB loopt, en dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de beperkingen van eiser wezenlijk zijn veranderd. De arbeidsdeskundige rapporteert dat eiser nog steeds ongeschikt is voor het eigen werk maar dat hij wel geschikt is voor andere passende functies. Op grond van vijf geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser 63,96% bedraagt. Hierna is het besluit van 30 april 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit liggen het rapport van de verzekeringsarts b&b van 8 september 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 20 september 2024 ten grondslag.
Geschil
4. Aan de orde is de vraag of het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 28 oktober 2021 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
Medische grondslag van het bestreden besluit
5. Eisers beroepsgronden richten zich alleen op de medische grondslag van het bestreden besluit. Eiser stelt dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat en hij wijst op de bevindingen en conclusies van het multidisciplinair expertiseonderzoek, dat door de CRvB in zijn hoger beroepsprocedure (punt 3.3.) is gelast.
5.1.
Eisers beroepsgronden slagen niet. Uit de rapportage van 8 september 2024 volgt dat de verzekeringsarts b&b na eigen medisch onderzoek zich kan vinden in de FML van 25 maart 2024, opgesteld door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft daaraan ten grondslag gelegd dat deze FML ongewijzigd is ten opzichte van de FML in (de procedure met betrekking tot) 2018. Zoals blijkt uit de hoger beroepsprocedure bij de CRvB is de FML met betrekking tot 2018 na het rapport van de verzekeringsarts b&b op grond van de bevindingen en conclusies van de ingeschakelde deskundige nog enigszins aangepast op 12 oktober 2024 en op 24 februari 2025. De verzekeringsarts b&b heeft op 13 maart 2025 aangegeven dat de FML, waarvan de CRvB uiteindelijk heeft geoordeeld dat die in stand kan blijven, ook van toepassing is op de datum in geding in deze procedure (28 oktober 2021). Dit is in lijn met het standpunt dat het UWV in deze procedure van meet af aan heeft ingenomen, namelijk dat de medische toestand van eiser en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 28 oktober 2021 niet wezenlijk anders was en waren dan in 2018. De resultaten van het door de CRvB gelaste expertiseonderzoek, waar eiser in zijn beroepsgronden naar heeft verwezen, zijn dus al meegenomen bij het vaststellen van de in dit geding van toepassing zijnde FML. Eiser heeft verder geen argumenten of (nieuwe) medische informatie overgelegd op grond waarvan aan deze FML moet worden getwijfeld. Dat zijn klachten onverwachts, grillig en sterk wisselend zijn en hij daarom niet inzetbaar is op de reguliere arbeidsmarkt is een aspect wat al in de procedure bij de CRvB is beoordeeld.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
6. Eiser heeft hiertegen geen gronden ingediend.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank concludeert dat het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). Eiser krijgt geen gelijk en zijn beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het besluit van 7 september 2018. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in dit kader de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser naar beneden vastgesteld op 61,95%, maar daardoor veranderde de WIA-uitkering van eiser niet.
De verzekeringsarts heeft de FML wel opnieuw ingevuld op 1 oktober 2018.
Het besluit van 14 maart 2019.
Uitspraak van 18 december 2020, niet gepubliceerd.
Met datum 11 januari 2023.
ECLI:NL:CRVB:2025:948.
Rapportage van 31 oktober 2023 en FML van 25 maart 2024.
Rapportage van 4 april 2024.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Tracey),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: T.I. Gerritsen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 28 oktober 2021. Eiser is het niet eens met de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Met het besluit van 30 april 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 63,96% bedraagt, maar dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting schriftelijk afgemeld. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon] .
Wat ging er aan deze procedure vooraf
3. Eiser was werkzaam als [functie] voor 44,52 uur per week. Hij heeft zich op 12 mei 2009 ziek gemeld. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft het UWV een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek verricht op grond waarvan eiser per 10 mei 2011 voor 39,66% arbeidsongeschikt is geacht en aan hem een WIA-uitkering is toegekend. Omdat eiser aangepast werk verrichtte werden zijn inkomsten hierop in mindering gebracht.
3.1.
Op 24 juni 2017 heeft eiser zich bij het UWV toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van het UWV een medisch onderzoek verricht en in dit kader op 5 december 2017 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft aan de hand van de FML vastgesteld dat eiser zijn eigen werk niet meer kan verrichten maar nog wel in staat is andere passende arbeid te verrichten. Aan de hand van vijf geselecteerde functies is de resterende verdiencapaciteit van eiser vastgesteld op 62,27%. Met het besluit van 2 februari 2018 heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser per 1 september 2017 verhoogd. De (ex-)werkgever van eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, wat door het UWV ongegrond is verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.2.
Naar aanleiding van een nieuwe melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van eiser in februari 2018 heeft het UWV wederom een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de FML van 5 december 2017 nog steeds geldt. De arbeidsdeskundige heeft nieuwe functies geselecteerd waaruit volgt dat eiser voor 62,24% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 26 oktober 2018 heeft het UWV besloten dat de WIA-uitkering van eiser niet wijzigt. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) de FML van 1 oktober 2018 bevestigd. Met de beslissing op bezwaar van 14 maart 2019 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij zijn besluit van 26 oktober 2018 gebleven. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld dat door de rechtbank ongegrond is verklaard.
3.3.
Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiser hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft een verzekeringsarts b&b de FML aangepast. Een arbeidsdeskundige b&b heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 19 oktober 2018 vastgesteld op 64,89%. Het UWV heeft naar aanleiding hiervan een nieuwe beslissing op bezwaar genomen op 20 januari 2023. De Centrale Raad van Beroep heeft de beslissing op bezwaar van 20 januari 2023 bij de hoger beroepsprocedure betrokken. Nadien heeft de verzekeringsarts b&b de FML op 14 maart 2023 nog eens aangepast. De CRvB heeft een multidisciplinair expertiseonderzoek gelast, waarvan op 17 mei 2024 en op 6 december 2024 rapport is opgesteld. Uit de uitspraak van de CRvB van 11 juni 2025 volgt dat de verzekeringsarts b&b de bevindingen en conclusies van de deskundige heeft gevolgd en opnieuw de FML heeft aangepast op 12 oktober 2024. Na een schriftelijke ronde heeft de verzekeringsarts b&b de FML nog eens aangepast op 24 februari 2025. De CRvB heeft geoordeeld dat deze FML van 24 februari 2025 in stand kan blijven, dat de daarop gebaseerde mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht is vastgesteld op 64,89% en dat het hoger beroep ongegrond is.
3.4.
Op 28 oktober 2021 heeft eiser bij het UWV melding toegenomen arbeidsongeschiktheid gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts rapporteert dat in grote lijnen sprake is van dezelfde medische problematiek als in 2018, in verband waarmee de hoger beroepsprocedure bij de CRvB loopt, en dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de beperkingen van eiser wezenlijk zijn veranderd. De arbeidsdeskundige rapporteert dat eiser nog steeds ongeschikt is voor het eigen werk maar dat hij wel geschikt is voor andere passende functies. Op grond van vijf geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser 63,96% bedraagt. Hierna is het besluit van 30 april 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit liggen het rapport van de verzekeringsarts b&b van 8 september 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 20 september 2024 ten grondslag.
Geschil
4. Aan de orde is de vraag of het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 28 oktober 2021 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
Medische grondslag van het bestreden besluit
5. Eisers beroepsgronden richten zich alleen op de medische grondslag van het bestreden besluit. Eiser stelt dat het UWV zijn beperkingen heeft onderschat en hij wijst op de bevindingen en conclusies van het multidisciplinair expertiseonderzoek, dat door de CRvB in zijn hoger beroepsprocedure (punt 3.3.) is gelast.
5.1.
Eisers beroepsgronden slagen niet. Uit de rapportage van 8 september 2024 volgt dat de verzekeringsarts b&b na eigen medisch onderzoek zich kan vinden in de FML van 25 maart 2024, opgesteld door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft daaraan ten grondslag gelegd dat deze FML ongewijzigd is ten opzichte van de FML in (de procedure met betrekking tot) 2018. Zoals blijkt uit de hoger beroepsprocedure bij de CRvB is de FML met betrekking tot 2018 na het rapport van de verzekeringsarts b&b op grond van de bevindingen en conclusies van de ingeschakelde deskundige nog enigszins aangepast op 12 oktober 2024 en op 24 februari 2025. De verzekeringsarts b&b heeft op 13 maart 2025 aangegeven dat de FML, waarvan de CRvB uiteindelijk heeft geoordeeld dat die in stand kan blijven, ook van toepassing is op de datum in geding in deze procedure (28 oktober 2021). Dit is in lijn met het standpunt dat het UWV in deze procedure van meet af aan heeft ingenomen, namelijk dat de medische toestand van eiser en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 28 oktober 2021 niet wezenlijk anders was en waren dan in 2018. De resultaten van het door de CRvB gelaste expertiseonderzoek, waar eiser in zijn beroepsgronden naar heeft verwezen, zijn dus al meegenomen bij het vaststellen van de in dit geding van toepassing zijnde FML. Eiser heeft verder geen argumenten of (nieuwe) medische informatie overgelegd op grond waarvan aan deze FML moet worden getwijfeld. Dat zijn klachten onverwachts, grillig en sterk wisselend zijn en hij daarom niet inzetbaar is op de reguliere arbeidsmarkt is een aspect wat al in de procedure bij de CRvB is beoordeeld.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
6. Eiser heeft hiertegen geen gronden ingediend.
7. De rechtbank concludeert dat het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 28 oktober 2021 terecht heeft vastgesteld op 63,96% (klasse 35 tot 80%). Eiser krijgt geen gelijk en zijn beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het besluit van 7 september 2018. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in dit kader de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser naar beneden vastgesteld op 61,95%, maar daardoor veranderde de WIA-uitkering van eiser niet.
De verzekeringsarts heeft de FML wel opnieuw ingevuld op 1 oktober 2018.
Het besluit van 14 maart 2019.
Uitspraak van 18 december 2020, niet gepubliceerd.
Met datum 11 januari 2023.
ECLI:NL:CRVB:2025:948.
Rapportage van 31 oktober 2023 en FML van 25 maart 2024.
Rapportage van 4 april 2024.
