ECLI:NL:RBLIM:2026:8599
Mondelinge geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ambtshalve toetsing prijsbeding. Prijsbeding is niet-transparant en oneerlijk bevonden. Vernietiging.
Rechtbank Limburg 25 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2026:8599
text/xml
public
2026-09-25T09:00:33
2026-08-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-09-16
12163895 CV EXPL 26-1668
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Maastricht
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:8599
text/html
public
2026-09-24T15:58:06
2026-09-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:8599 Rechtbank Limburg , 16-09-2026 / 12163895 CV EXPL 26-1668
Mondelinge geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ambtshalve toetsing prijsbeding. Prijsbeding is niet-transparant en oneerlijk bevonden. Vernietiging.
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12163895 CV EXPL 26-1668
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
STICHTING ZUYDERLAND MEDISCH CENTRUM,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Zuyderland,
gemachtigde: E.P.H. Latten van Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Zuyderland en [gedaagde] zijn mondeling een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan, waarna Zuyderland zorg aan [gedaagde] heeft geleverd. Dit betrof een operatie aan de voet van [gedaagde] .
2.2.
Zuyderland heeft op 31 december 2023 en 25 maart 2024 uit hoofde van de door Zuyderland geleverde zorg facturen aan [gedaagde] gestuurd. Het totaalbedrag van de facturen bedraagt € 5.340,36.
2.3.
Bij brief van 13 januari 2025 heeft Zuyderland [gedaagde] aangemaand om binnen veertien dagen na bezorging van de brief de openstaande facturen te betalen, bij gebreke waarvan [gedaagde] € 642,02 exclusief btw aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld.
2.4.
Bij brief van 28 januari en 7 februari 2025 heeft Zuyderland [gedaagde] nogmaals gesommeerd om tot betaling van de facturen over te gaan.
2.5.
Met ingang van 28 februari 2025 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, inhoudende dat [gedaagde] iedere maand steeds € 100,00 aan de incassogemachtigde van Zuyderland dient te betalen. [gedaagde] is de betalingsregeling niet nagekomen, waardoor deze op 11 maart 2025 is komen te vervallen.
2.6.
Bij brief van 6 januari 2026 heeft Zuyderland [gedaagde] een laatste kans geboden om de openstaande facturen te betalen.
2.7.
[gedaagde] heeft de facturen onbetaald gelaten, waarna zij is gedagvaard.
3Het geschil
3.1.
Zuyderland vordert, uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.814,88, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.430,36 vanaf 12 maart 2026, en de proceskosten.
3.2.
Het bedrag van € 6.814,88 kan als volgt worden gespecificeerd:
€ 5.340,36 facturen d.d. 31 december 2023 en 25 maart 2024 (hierna: de hoofdsom),
€ 697,68 aan rente tot en met 11 maart 2026,
€ 642,02 aan buitengerechtelijke incassokosten,
€ 134,82 aan btw over de buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
Zuyderland legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een bedrag van
€ 5.340,36 verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst. Doordat [gedaagde] ondanks de aanmaning en sommaties in gebreke is gebleven met betaling van de facturen, zag Zuyderland zich genoodzaakt om haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten dienen volgens Zuyderland voor rekening van [gedaagde] te komen. Verder maakt Zuyderland aanspraak op de reeds vervallen wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Zuyderland.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
De vraag die in dit geschil centraal staat, is of Zuyderland aanspraak kan maken op betaling van de aan [gedaagde] verzonden facturen van in totaal € 5.340,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van Zuyderland niet toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen Zuyderland als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.3.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst is uitgezonderd van toetsing. Wel dienen het prijsbeding en de betalingsvoorwaarden van Zuyderland ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Kernbedingen (zoals het prijsbeding) zijn echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid als deze transparant zijn. De kantonrechter oordeelt ten aanzien van het prijsbeding als volgt.
Transparantie prijsbeding
4.4.
Partijen twisten over de vraag hoe de prijs van de behandeling is overeengekomen. Zuyderland heeft in de dagvaarding niets gesteld over de wijze waarop de prijs is overeengekomen, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht. Zij vordert immers nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] en had dus al bij dagvaarding informatie moeten geven over de inhoud van de overeenkomst en hoe die tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de behandeling over de prijs helemaal niets is gecommuniceerd. Pas op de mondelinge behandeling is namens Zuyderland aangevoerd dat [gedaagde] in de schriftelijke bevestiging van de afspraak, in patiëntenfolders, op de website en via schermen in de wachtkamer informatie heeft gekregen of had kunnen vinden over de prijs van de behandeling en over de vraag of die vergoed werd door haar verzekeraar. Ook dit is door [gedaagde] betwist.
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat Zuyderland haar stelling dat zij wel informatie heeft gegeven over de prijs van de behandeling niet heeft onderbouwd met stukken. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat zij wist dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij deze prijs niet aan Zuyderland hoeft te betalen en dit standpunt was ook vóór het uitbrengen van de dagvaarding al bij haar bekend. Desalniettemin staat in de dagvaarding dat er geen verweren van [gedaagde] bekend zijn. Ook staat in de dagvaarding dat de geneeskundige behandelovereenkomst niet schriftelijk is aangegaan omdat “de feitelijke situatie dat niet toeliet”. Die mededeling is evident onjuist. Door [gedaagde] is immers – onbetwist – gesteld dat zij na verwijzing door haar huisarts een consult heeft gehad bij de behandelend chirurg in het ziekenhuis en dat daarna de operatie is ingepland. Er was dus ruimschoots tijd om eventuele prijsafspraken schriftelijk vast te leggen.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat Zuyderland reeds twee kansen heeft gehad om te onderbouwen dat er wel een transparant prijsbeding is overeengekomen en dat Zuyderland die kansen onbenut heeft gelaten. De kantonrechter zal Zuyderland niet alsnog in de gelegenheid stellen en stelt vast dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] voorafgaand aan de behandeling is geïnformeerd over de prijs van de medische behandeling, waardoor het prijsbeding als niet transparant wordt aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
Oneerlijkheid prijsbeding
4.7.
Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Een beding in een overeenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd is met de goede trouw of het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
4.8.
Zuyderland is op grond van Artikel 38 lid 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg verplicht om [gedaagde] tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. In aanvulling daarop had Zuyderland op grond van artikel 4 en 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018 (hierna: de regeling) [gedaagde] moeten informeren over datgene dat voor haar van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor haar van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of [gedaagde] zelf een bedrag moest betalen.
4.9.
Nu Zuyderland kennelijk niet aan deze verplichtingen heeft voldaan, wordt geconcludeerd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien, ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk is verstoord. [gedaagde] is immers pas achteraf geconfronteerd met een hoog bedrag aan kosten, dat zij niet had voorzien en dat zij niet heeft kunnen betrekken bij haar keuze om de behandeling al dan niet te laten uitvoeren. Het prijsbeding wordt dan ook oneerlijk bevonden.
4.10.
Nu het prijsbeding oneerlijk is, is [gedaagde] daaraan niet gebonden. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen. Nu Zuyderland haar diensten heeft verricht, heeft [gedaagde] in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst.
4.11.
Omdat Zuyderland zich op de mondelinge behandeling al over de oneerlijkheid van het prijsbeding en (de gevolgen van) eventuele vernietiging van dat beding heeft uitgelaten, zal zij daartoe niet nogmaals in de gelegenheid worden gesteld.
4.12.
De conclusie van het voorgaande is dat het door Zuyderland gevorderde bedrag van € 6.814,88 zal worden afgewezen.
Proces- en nakosten
4.13.
Zuyderland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op een forfaitair bedrag van € 50,00.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Zuyderland af,
5.2.
veroordeelt Zuyderland in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Zuyderland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Artikel 3 lid 1 van de richtlijn.
Artikel 6 lid 1 van de richtlijn.
Zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954.
Mondelinge geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ambtshalve toetsing prijsbeding. Prijsbeding is niet-transparant en oneerlijk bevonden. Vernietiging.
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12163895 CV EXPL 26-1668
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
STICHTING ZUYDERLAND MEDISCH CENTRUM,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Zuyderland,
gemachtigde: E.P.H. Latten van Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 22 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Zuyderland en [gedaagde] zijn mondeling een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan, waarna Zuyderland zorg aan [gedaagde] heeft geleverd. Dit betrof een operatie aan de voet van [gedaagde] .
2.2.
Zuyderland heeft op 31 december 2023 en 25 maart 2024 uit hoofde van de door Zuyderland geleverde zorg facturen aan [gedaagde] gestuurd. Het totaalbedrag van de facturen bedraagt € 5.340,36.
2.3.
Bij brief van 13 januari 2025 heeft Zuyderland [gedaagde] aangemaand om binnen veertien dagen na bezorging van de brief de openstaande facturen te betalen, bij gebreke waarvan [gedaagde] € 642,02 exclusief btw aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld.
2.4.
Bij brief van 28 januari en 7 februari 2025 heeft Zuyderland [gedaagde] nogmaals gesommeerd om tot betaling van de facturen over te gaan.
2.5.
Met ingang van 28 februari 2025 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, inhoudende dat [gedaagde] iedere maand steeds € 100,00 aan de incassogemachtigde van Zuyderland dient te betalen. [gedaagde] is de betalingsregeling niet nagekomen, waardoor deze op 11 maart 2025 is komen te vervallen.
2.6.
Bij brief van 6 januari 2026 heeft Zuyderland [gedaagde] een laatste kans geboden om de openstaande facturen te betalen.
2.7.
[gedaagde] heeft de facturen onbetaald gelaten, waarna zij is gedagvaard.
Zuyderland vordert, uitvoerbaar bij voorraad, bij vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.814,88, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.430,36 vanaf 12 maart 2026, en de proceskosten.
3.2.
Het bedrag van € 6.814,88 kan als volgt worden gespecificeerd:
€ 5.340,36 facturen d.d. 31 december 2023 en 25 maart 2024 (hierna: de hoofdsom),
€ 697,68 aan rente tot en met 11 maart 2026,
€ 642,02 aan buitengerechtelijke incassokosten,
€ 134,82 aan btw over de buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
Zuyderland legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een bedrag van
€ 5.340,36 verschuldigd is uit hoofde van de tussen partijen tot stand gekomen geneeskundige behandelingsovereenkomst. Doordat [gedaagde] ondanks de aanmaning en sommaties in gebreke is gebleven met betaling van de facturen, zag Zuyderland zich genoodzaakt om haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten dienen volgens Zuyderland voor rekening van [gedaagde] te komen. Verder maakt Zuyderland aanspraak op de reeds vervallen wettelijke rente.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Zuyderland.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
De vraag die in dit geschil centraal staat, is of Zuyderland aanspraak kan maken op betaling van de aan [gedaagde] verzonden facturen van in totaal € 5.340,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van Zuyderland niet toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.
Ambtshalve toetsing
4.2.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen Zuyderland als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.3.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst is uitgezonderd van toetsing. Wel dienen het prijsbeding en de betalingsvoorwaarden van Zuyderland ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Kernbedingen (zoals het prijsbeding) zijn echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid als deze transparant zijn. De kantonrechter oordeelt ten aanzien van het prijsbeding als volgt.
Transparantie prijsbeding
4.4.
Partijen twisten over de vraag hoe de prijs van de behandeling is overeengekomen. Zuyderland heeft in de dagvaarding niets gesteld over de wijze waarop de prijs is overeengekomen, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht. Zij vordert immers nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] en had dus al bij dagvaarding informatie moeten geven over de inhoud van de overeenkomst en hoe die tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de behandeling over de prijs helemaal niets is gecommuniceerd. Pas op de mondelinge behandeling is namens Zuyderland aangevoerd dat [gedaagde] in de schriftelijke bevestiging van de afspraak, in patiëntenfolders, op de website en via schermen in de wachtkamer informatie heeft gekregen of had kunnen vinden over de prijs van de behandeling en over de vraag of die vergoed werd door haar verzekeraar. Ook dit is door [gedaagde] betwist.
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat Zuyderland haar stelling dat zij wel informatie heeft gegeven over de prijs van de behandeling niet heeft onderbouwd met stukken. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat zij wist dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij deze prijs niet aan Zuyderland hoeft te betalen en dit standpunt was ook vóór het uitbrengen van de dagvaarding al bij haar bekend. Desalniettemin staat in de dagvaarding dat er geen verweren van [gedaagde] bekend zijn. Ook staat in de dagvaarding dat de geneeskundige behandelovereenkomst niet schriftelijk is aangegaan omdat “de feitelijke situatie dat niet toeliet”. Die mededeling is evident onjuist. Door [gedaagde] is immers – onbetwist – gesteld dat zij na verwijzing door haar huisarts een consult heeft gehad bij de behandelend chirurg in het ziekenhuis en dat daarna de operatie is ingepland. Er was dus ruimschoots tijd om eventuele prijsafspraken schriftelijk vast te leggen.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat Zuyderland reeds twee kansen heeft gehad om te onderbouwen dat er wel een transparant prijsbeding is overeengekomen en dat Zuyderland die kansen onbenut heeft gelaten. De kantonrechter zal Zuyderland niet alsnog in de gelegenheid stellen en stelt vast dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] voorafgaand aan de behandeling is geïnformeerd over de prijs van de medische behandeling, waardoor het prijsbeding als niet transparant wordt aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
Oneerlijkheid prijsbeding
4.7.
Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Een beding in een overeenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd is met de goede trouw of het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
4.8.
Zuyderland is op grond van Artikel 38 lid 1 van de Wet marktordening gezondheidszorg verplicht om [gedaagde] tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. In aanvulling daarop had Zuyderland op grond van artikel 4 en 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018 (hierna: de regeling) [gedaagde] moeten informeren over datgene dat voor haar van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor haar van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of [gedaagde] zelf een bedrag moest betalen.
4.9.
Nu Zuyderland kennelijk niet aan deze verplichtingen heeft voldaan, wordt geconcludeerd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien, ten nadele van [gedaagde] aanzienlijk is verstoord. [gedaagde] is immers pas achteraf geconfronteerd met een hoog bedrag aan kosten, dat zij niet had voorzien en dat zij niet heeft kunnen betrekken bij haar keuze om de behandeling al dan niet te laten uitvoeren. Het prijsbeding wordt dan ook oneerlijk bevonden.
4.10.
Nu het prijsbeding oneerlijk is, is [gedaagde] daaraan niet gebonden. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in haar belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen. Nu Zuyderland haar diensten heeft verricht, heeft [gedaagde] in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst.
4.11.
Omdat Zuyderland zich op de mondelinge behandeling al over de oneerlijkheid van het prijsbeding en (de gevolgen van) eventuele vernietiging van dat beding heeft uitgelaten, zal zij daartoe niet nogmaals in de gelegenheid worden gesteld.
4.12.
De conclusie van het voorgaande is dat het door Zuyderland gevorderde bedrag van € 6.814,88 zal worden afgewezen.
Proces- en nakosten
4.13.
Zuyderland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op een forfaitair bedrag van € 50,00.
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Zuyderland af,
5.2.
veroordeelt Zuyderland in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Zuyderland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
Artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Artikel 3 lid 1 van de richtlijn.
Artikel 6 lid 1 van de richtlijn.
Zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954.
