ECLI:NL:RBMNE:2026:6460
Beroep. Wht. Evident geen recht op KOT. Ongegrond.
Rechtbank Midden-Nederland 25 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:6460
text/xml
public
2026-09-25T09:00:27
2026-09-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-09-02
UTR 26/3380
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6460
text/html
public
2026-09-21T14:22:58
2026-09-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:6460 Rechtbank Midden-Nederland , 02-09-2026 / UTR 26/3380
Beroep. Wht. Evident geen recht op KOT. Ongegrond.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3380
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Eiseres heeft op 25 maart 2021 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verzocht om een herbeoordeling van haar aanspraak op kinderopvangtoeslag (KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Volgens Dienst Toeslagen was er in de toeslagjaren 2009 en 2010 geen sprake van opvang door de opgegeven kinderopvanginstelling. In toeslagjaar 2011 behoorde eiseres niet tot de doelgroep van de KOT, omdat zij niet werkte en geen opleiding volgde. Het stopzetten van de KOT duidt niet op vooringenomen handelen. In toeslagjaar 2012 is er wel sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiseres evident geen recht op KOT, omdat geen sprake is van opvang door een kinderopvanginstelling. Eiseres krijgt daarom geen compensatie.
1.2.
Met het besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens Dienst Toeslagen is er in beide toeslagjaren sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiseres evident geen recht op KOT en daarom krijgt ze geen compensatie.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiseres voor de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op compensatie.
2.1.
In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen zich primair op het standpunt gesteld dat in de toeslagjaren 2011 en 2012 geen sprake is van vooringenomenheid en subsidiair dat eiseres evident geen recht had op KOT. Op de zitting heeft Dienst Toeslagen verklaard dat de vraag of sprake is van vooringenomenheid in de beide toeslagjaren geen beantwoording behoeft, omdat Dienst Toeslagen zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat in beide toeslagjaren wel sprake is van vooringenomenheid en de rechtbank daarvan bij de beoordeling van het beroep vanuit kan gaan.
2.2.
Dit betekent dat de rechtbank uitsluitend de vraag hoeft te beantwoorden of Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 terecht heeft afgewezen, omdat eiseres evident geen recht had op KOT.
Wettelijk kader
3. Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht is vermeld dat van een ernstige onregelmatigheid in ieder geval sprake is als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd, niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ouder heeft alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag als een kind naar een geregistreerde kinderopvang of gastouderopvang is gegaan.
Toeslagjaar 2011
4. Eiseres voert aan dat zij in 2011 wel een opleidingstraject via de gemeente heeft gevolgd. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op het proces-verbaal van de FIOD van 3 september 2012. Zij geeft aan een aantal keren naar een instantie te zijn geweest om haar vaardigheden, zoals het schrijven van sollicitatiebrieven te verbeteren. Eiseres vindt het verder niet redelijk dat Dienst Toeslagen na een periode van 14 à 15 jaar informatie over een opleidingstraject opvraagt, omdat het heel moeilijk is die informatie na zo lange tijd aan te leveren.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ze in 2011 een opleidingstraject dan wel een re-integratietraject heeft gevolgd. De gedingstukken bieden daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt. Uit het proces-verbaal van de FIOD van 3 september 2012 blijkt dat eiseres op 5 juni 2012 heeft verklaard dat haar kinderen in 2011 gebruik hebben gemaakt van kinderopvang, dat ze een opleidingstraject zou gaan volgen en dat ze nog moest uitzoeken welke opleiding ze zou gaan volgen. Niet aannemelijk is dat eiseres thans niet meer weet welke opleiding ze in 2011 heeft gevolgd, maar in juni 2012, kort na afloop van toeslagjaar 2011, heeft aangegeven dat ze nog naar een opleiding op zoek was.
6. Nu niet in geschil is dat eiseres in 2011 niet werkte betekent dit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een aanvrager van KOT moet voldoen. Op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bestaat namelijk - kort gezegd - alleen aanspraak op KOT indien de ouder in het betreffende jaar arbeid verrichte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Eiseres heeft daarom evident geen recht op KOT.
Toeslagjaar 2012
7. Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres evident geen recht heeft op KOT, omdat ze in 2012 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Eiseres heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt ook vast dat uit de stukken niet blijkt dat in 2012 van kinderopvang gebruik is gemaakt.
Immateriële schadevergoeding
8. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9. Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag maximaal een half jaar duren en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar. In totaal gaat het dus om twee jaar. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden (afgerond naar boven).
10. Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 9 april 2024 en daarop beslist bij het bestreden besluit van 28 april 2026. Tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond twee jaar en bijna 6 maanden verstreken. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met bijna zes maanden en daarmee tot een vergoeding wegens geleden immateriële schade van € 500,-. Gelet hierop zal de rechtbank Dienst Toeslagen veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade van € 500,-.
Conclusie en gevolgen
11. De conclusie is dat Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 terecht heeft afgewezen, omdat eiseres in deze jaren evident geen recht had op KOT.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van €500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.
Artikel 1.5, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (zoals luidend in 2011).
Artikel 1.6, eerste lid.
Beroep. Wht. Evident geen recht op KOT. Ongegrond.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3380
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
en
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
1. Eiseres heeft op 25 maart 2021 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verzocht om een herbeoordeling van haar aanspraak op kinderopvangtoeslag (KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Volgens Dienst Toeslagen was er in de toeslagjaren 2009 en 2010 geen sprake van opvang door de opgegeven kinderopvanginstelling. In toeslagjaar 2011 behoorde eiseres niet tot de doelgroep van de KOT, omdat zij niet werkte en geen opleiding volgde. Het stopzetten van de KOT duidt niet op vooringenomen handelen. In toeslagjaar 2012 is er wel sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiseres evident geen recht op KOT, omdat geen sprake is van opvang door een kinderopvanginstelling. Eiseres krijgt daarom geen compensatie.
1.2.
Met het besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens Dienst Toeslagen is er in beide toeslagjaren sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiseres evident geen recht op KOT en daarom krijgt ze geen compensatie.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of eiseres voor de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op compensatie.
2.1.
In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen zich primair op het standpunt gesteld dat in de toeslagjaren 2011 en 2012 geen sprake is van vooringenomenheid en subsidiair dat eiseres evident geen recht had op KOT. Op de zitting heeft Dienst Toeslagen verklaard dat de vraag of sprake is van vooringenomenheid in de beide toeslagjaren geen beantwoording behoeft, omdat Dienst Toeslagen zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat in beide toeslagjaren wel sprake is van vooringenomenheid en de rechtbank daarvan bij de beoordeling van het beroep vanuit kan gaan.
2.2.
Dit betekent dat de rechtbank uitsluitend de vraag hoeft te beantwoorden of Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 terecht heeft afgewezen, omdat eiseres evident geen recht had op KOT.
Wettelijk kader
3. Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht is vermeld dat van een ernstige onregelmatigheid in ieder geval sprake is als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd, niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ouder heeft alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag als een kind naar een geregistreerde kinderopvang of gastouderopvang is gegaan.
Toeslagjaar 2011
4. Eiseres voert aan dat zij in 2011 wel een opleidingstraject via de gemeente heeft gevolgd. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op het proces-verbaal van de FIOD van 3 september 2012. Zij geeft aan een aantal keren naar een instantie te zijn geweest om haar vaardigheden, zoals het schrijven van sollicitatiebrieven te verbeteren. Eiseres vindt het verder niet redelijk dat Dienst Toeslagen na een periode van 14 à 15 jaar informatie over een opleidingstraject opvraagt, omdat het heel moeilijk is die informatie na zo lange tijd aan te leveren.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat ze in 2011 een opleidingstraject dan wel een re-integratietraject heeft gevolgd. De gedingstukken bieden daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt. Uit het proces-verbaal van de FIOD van 3 september 2012 blijkt dat eiseres op 5 juni 2012 heeft verklaard dat haar kinderen in 2011 gebruik hebben gemaakt van kinderopvang, dat ze een opleidingstraject zou gaan volgen en dat ze nog moest uitzoeken welke opleiding ze zou gaan volgen. Niet aannemelijk is dat eiseres thans niet meer weet welke opleiding ze in 2011 heeft gevolgd, maar in juni 2012, kort na afloop van toeslagjaar 2011, heeft aangegeven dat ze nog naar een opleiding op zoek was.
6. Nu niet in geschil is dat eiseres in 2011 niet werkte betekent dit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een aanvrager van KOT moet voldoen. Op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bestaat namelijk - kort gezegd - alleen aanspraak op KOT indien de ouder in het betreffende jaar arbeid verrichte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Eiseres heeft daarom evident geen recht op KOT.
Toeslagjaar 2012
7. Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres evident geen recht heeft op KOT, omdat ze in 2012 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Eiseres heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt ook vast dat uit de stukken niet blijkt dat in 2012 van kinderopvang gebruik is gemaakt.
Immateriële schadevergoeding
8. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9. Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag maximaal een half jaar duren en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar. In totaal gaat het dus om twee jaar. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden (afgerond naar boven).
10. Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 9 april 2024 en daarop beslist bij het bestreden besluit van 28 april 2026. Tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond twee jaar en bijna 6 maanden verstreken. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met bijna zes maanden en daarmee tot een vergoeding wegens geleden immateriële schade van € 500,-. Gelet hierop zal de rechtbank Dienst Toeslagen veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade van € 500,-.
11. De conclusie is dat Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 terecht heeft afgewezen, omdat eiseres in deze jaren evident geen recht had op KOT.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van €500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.
Artikel 1.5, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (zoals luidend in 2011).
Artikel 1.6, eerste lid.
