ECLI:NL:RBMNE:2026:6560
Dagvaarding nietig.
Rechtbank Midden-Nederland 29 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:6560
text/xml
public
2026-09-29T08:46:26
2026-09-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-09-15
12340492 MV EXPL 26-113
Uitspraak
Kort geding
NL
Almere
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:6560
text/html
public
2026-09-29T08:45:41
2026-09-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:6560 Rechtbank Midden-Nederland , 15-09-2026 / 12340492 MV EXPL 26-113
Dagvaarding nietig.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12340492 MV EXPL 26-113
Vonnis in kort geding van 15 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting,
tegen
[gedaagde] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1De procedure
1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding met elf producties.
1.2
Op 31 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] was aanwezig, bijgestaan door mr. Liefting. [gedaagde] was niet verschenen.
2De betekening
2.1
[gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Daarom moet de voorzieningenrechter beoordelen of de dagvaarding op de juiste wijze is betekend. Dat is niet gebeurd. Daarom is de dagvaarding nietig. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit.
2.2
[gedaagde] is zonder bekende woon-of verblijfplaats in en buiten Nederland. Artikel 115 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt in dat geval dat de termijn van dagvaarding tenminste drie maanden is. Deze dagvaardingstermijn geldt ook in kort geding en is bedoeld om de gedaagde voldoende gelegenheid te bieden om kennis te kunnen nemen van de dagvaarding en zich daartegen te kunnen verweren. De dagvaardingstermijn kan worden verkort als daartoe een verzoek aan de rechtbank wordt gedaan en dit door de rechtbank uitdrukkelijk wordt toegestaan. [eiseres] heeft een dergelijk verzoek gedaan en stelt dat de rechtbank haar verlof heeft verleend om op verkorte termijn te dagvaarden, maar dat is niet juist. De rechtbank heeft de verkorting niet verleend. Aan [eiseres] is dat ook niet medegedeeld. [eiseres] heeft het verzoek tot verkorting op andere gronden gedaan dan de onbekende woon- en verblijfplaats van [gedaagde] . Daarom mocht [eiseres] er niet zonder meer van uitgaan dat haar met de bepaling van een zittingsdatum een verkorting van de dagvaardingstermijn was verleend. Omdat de verkorting niet is verleend, is de normale dagvaardingstermijn van ten minste drie maanden van toepassing. Het is de verantwoordelijkheid van [eiseres] als eiser – althans van haar gemachtigde – om ervoor te zorgen dat de dagvaarding goed wordt betekend, met inachtneming van de voorgeschreven dagvaardingstermijn. [eiseres] heeft dat niet gedaan. Het laten bepalen van een zittingsdatum mag niet ten koste gaan van de gelegenheid die [gedaagde] als gedaagde volgens de wet moet krijgen om kennis te nemen van de dagvaarding en zich tegen de dagvaarding te verweren.
Ten overvloede: geen spoed
2.3
De voorzieningenrechter wijst ten overvloede op het volgende.
Een voorziening in kort geding kan alleen worden toegewezen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiseres] stelt in het kader van het spoedeisend belang dat haar financiële situatie is veranderd en dat zij het geld dat zij aan [gedaagde] heeft geleend daarom nu nodig heeft om in haar levensbehoeften te kunnen voorzien. Op de zitting heeft [eiseres] dat toegelicht. De kantonrechter maakt uit die toelichting op dat [eiseres] niet meer het leven kan leiden dat zij gewend was, maar dat haar financiële situatie niet zo nijpend is dat zij niet meer kan rondkomen. [eiseres] heeft daardoor onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang heeft dat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit betekent dat ook als de dagvaarding niet nietig zou zijn geweest, de vordering van [eiseres] in kort geding zou zijn afgewezen.
3De beslissing
De kantonrechter, recht doende in kort geding:
3.1
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
15 september 2026.
41264
Dagvaarding nietig.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12340492 MV EXPL 26-113
Vonnis in kort geding van 15 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. C.J.P. Liefting,
tegen
[gedaagde] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding met elf producties.
1.2
Op 31 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] was aanwezig, bijgestaan door mr. Liefting. [gedaagde] was niet verschenen.
[gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Daarom moet de voorzieningenrechter beoordelen of de dagvaarding op de juiste wijze is betekend. Dat is niet gebeurd. Daarom is de dagvaarding nietig. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit.
2.2
[gedaagde] is zonder bekende woon-of verblijfplaats in en buiten Nederland. Artikel 115 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt in dat geval dat de termijn van dagvaarding tenminste drie maanden is. Deze dagvaardingstermijn geldt ook in kort geding en is bedoeld om de gedaagde voldoende gelegenheid te bieden om kennis te kunnen nemen van de dagvaarding en zich daartegen te kunnen verweren. De dagvaardingstermijn kan worden verkort als daartoe een verzoek aan de rechtbank wordt gedaan en dit door de rechtbank uitdrukkelijk wordt toegestaan. [eiseres] heeft een dergelijk verzoek gedaan en stelt dat de rechtbank haar verlof heeft verleend om op verkorte termijn te dagvaarden, maar dat is niet juist. De rechtbank heeft de verkorting niet verleend. Aan [eiseres] is dat ook niet medegedeeld. [eiseres] heeft het verzoek tot verkorting op andere gronden gedaan dan de onbekende woon- en verblijfplaats van [gedaagde] . Daarom mocht [eiseres] er niet zonder meer van uitgaan dat haar met de bepaling van een zittingsdatum een verkorting van de dagvaardingstermijn was verleend. Omdat de verkorting niet is verleend, is de normale dagvaardingstermijn van ten minste drie maanden van toepassing. Het is de verantwoordelijkheid van [eiseres] als eiser – althans van haar gemachtigde – om ervoor te zorgen dat de dagvaarding goed wordt betekend, met inachtneming van de voorgeschreven dagvaardingstermijn. [eiseres] heeft dat niet gedaan. Het laten bepalen van een zittingsdatum mag niet ten koste gaan van de gelegenheid die [gedaagde] als gedaagde volgens de wet moet krijgen om kennis te nemen van de dagvaarding en zich tegen de dagvaarding te verweren.
Ten overvloede: geen spoed
2.3
De voorzieningenrechter wijst ten overvloede op het volgende.
Een voorziening in kort geding kan alleen worden toegewezen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. [eiseres] stelt in het kader van het spoedeisend belang dat haar financiële situatie is veranderd en dat zij het geld dat zij aan [gedaagde] heeft geleend daarom nu nodig heeft om in haar levensbehoeften te kunnen voorzien. Op de zitting heeft [eiseres] dat toegelicht. De kantonrechter maakt uit die toelichting op dat [eiseres] niet meer het leven kan leiden dat zij gewend was, maar dat haar financiële situatie niet zo nijpend is dat zij niet meer kan rondkomen. [eiseres] heeft daardoor onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang heeft dat de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit betekent dat ook als de dagvaarding niet nietig zou zijn geweest, de vordering van [eiseres] in kort geding zou zijn afgewezen.
De kantonrechter, recht doende in kort geding:
3.1
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
15 september 2026.
41264
