ECLI:NL:RBNHO:2026:2852
Verlenging machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdhulp totdat de minderjarige meerderjarig is geworden. Gelet op de positieve ontwikkeling van de minderjarige binnen de gesloten setting, is het van belang dat de minderjarige daar tot haar meerderjarigheid verblijft, zodat de stijgende lijn verder kan worden voortgezet en dat van daaruit wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor begelei...
Rechtbank Noord-Holland 28 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2026:2852
text/xml
public
2026-09-28T12:02:31
2026-03-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-26
C/15/370596 / JU RK 25-1418
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Haarlem
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2852
text/html
public
2026-09-28T12:02:08
2026-09-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:2852 Rechtbank Noord-Holland , 26-02-2026 / C/15/370596 / JU RK 25-1418
Verlenging machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdhulp totdat de minderjarige meerderjarig is geworden.
Gelet op de positieve ontwikkeling van de minderjarige binnen de gesloten setting, is het van belang dat de minderjarige daar tot haar meerderjarigheid verblijft, zodat de stijgende lijn verder kan worden voortgezet en dat van daaruit wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor begeleid wonen.
Verlenging machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdhulp totdat de minderjarige meerderjarig is geworden.
Gelet op de positieve ontwikkeling van de minderjarige binnen de gesloten setting, is het van belang dat de minderjarige daar tot haar meerderjarigheid verblijft, zodat de stijgende lijn verder kan worden voortgezet en dat van daaruit wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor begeleid wonen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370596 / JU RK 25-1418
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen [de minderjarige] ,
advocaat mr. D.E. Post uit Heerhugowaard.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de WSS.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 4 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
de brief van de WSS, met bijlagen, van 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van [de minderjarige] ;
de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, bijgestaan door haar advocaat, haar mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, te weten bij een gesloten behandelgroep bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 februari 2025 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 mei 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 30 april 2025 is [de minderjarige] vervolgens definitief onder toezicht gesteld tot 30 april 2026.
2.4.
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 7 februari 2025 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, welke machtiging daarna telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 7 maart 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 december 2025 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de WSS.
3De verdere beoordeling
beschikking van 4 november 2025
3.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 4 november 2025 is het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp toegewezen voor de (kortere) duur van vier maanden. De kinderrechter heeft hierbij overwegen dat de situatie rondom [de minderjarige] volledig is gestagneerd in het half jaar voordat de zitting plaatsvond. De kinderrechter hoopt dat met een kortere duur van vier maanden te voorkomen en heeft de hoop uitgesproken dat [de minderjarige] deze kans aangrijpt en behandeling aangaat. Het verzoek is voor de resterende twee maanden aangehouden.
nadere informatie en standpunt GI
3.2.
De WSS, die op dit moment de ondertoezichtstelling uitvoert, heeft bij brief van 13 februari 2026 het volgende naar voren gebracht.
De gesloten uithuisplaatsing lijkt nu (pas) effect te hebben. Ondanks dat er soms nog steeds sprake is van heftige incidenten met suïcidale uitspraken laat [de minderjarige] langzaamaan contact toe bij de pedagogisch medewerkers. Ze vernielt geen spullen meer, loopt minder weg, komt sneller terug als ze wegloopt en het lukt om met haar gesprekken daarover te voeren. De zelfstandige buitenmomenten blijven lastig omdat [de minderjarige] makkelijk beïnvloed wordt, niet in staat is zijn grenzen aan te geven en zich (daardoor) niet houdt aan afspraken.
[de minderjarige] heeft continue co-regulatie nodig, om de wereld en de daarbij komende sociale relaties te duiden en de gesloten kaders sluiten hier goed op aan. Vanuit deze kaders, waarbij [de minderjarige] wordt geholpen om om te gaan met afwijzing en waarbij continuïteit in de verbinding wordt geboden, kunnen kleine stappen richting open kaders worden genomen. [de minderjarige] haar lerend vermogen is beperkt en haar hechting lijkt van grote invloed te zijn op dit proces. Dat maakt dat [de minderjarige] echt nog de gesloten kaders nodig heeft om deze kleine positieve ontwikkeling verder door te kunnen zetten. De WSS verzoekt daarom – zo begrijpt de rechtbank – om de resterende termijn van het verzoek toe te wijzen.
3.3
Namens de WSS is hier ter zitting aan toegevoegd dat de huidige setting voor nu de meest passende plek voor [de minderjarige] is en dat van daaruit wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor begeleid wonen.
het standpunt van de moeder
3.4
De moeder van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat het nu steeds wat beter gaat met [de minderjarige] . Er is structuur, ze gaat naar school en de behandeling is gestart. Momenteel wordt er gezocht naar een stageplek. Binnenkort wordt [de minderjarige] achttien en dan is het bedoeling dat voor haar een passende plek binnen begeleid wonen wordt gevonden. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige] als zij tussendoor nog naar een open plek zou moeten; daar is [de minderjarige] nog niet aan toe. [de minderjarige] heeft een setting nodig waarbij zij 24 uur per dag de nodige zorg kan krijgen. Gelet hierop staat de moeder achter toewijzing van de resterende termijn van het verzoek.
het standpunt van [de minderjarige] en haar advocaat
3.5
[de minderjarige] heeft aangegeven dat ze wel bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] wil blijven, maar dan zonder machtiging gesloten jeugdhulp. Ze loopt nu minder vaak weg en het geeft haar voldoening dat het nu beter met haar gaat. [de minderjarige] heeft soms nog moeite met het inleveren van haar telefoon op het afgesproken tijdstip, maar zij accepteert wel de consequenties die daaraan vast hangen. Verder wil zij stoppen met het gebruik van harddrugs; zij ziet in dat dat niet gezond is.
Namens [de minderjarige] heeft haar advocaat verzocht om de machtiging gesloten jeugdhulp niet te verlengen. Zij is zich er echter van bewust dat [de minderjarige] zich op [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] in positieve zin ontwikkelt en dat dit in het belang van [de minderjarige] is.
overwegingen kinderrechter
3.6
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
3.7
De kinderrechter heeft niet de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen. Gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] heeft de kinderrechter hiervan afgezien.
3.8
De kinderrechter constateert dat [de minderjarige] zich inmiddels positief ontwikkelt binnen de huidige setting op [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . [de minderjarige] komt beter in contact met de groepsleiding, ze volgt therapie en ze kan bij haar behandelaar haar gevoelens uitten. Gebleken is dat de boosheid van [de minderjarige] is verminderd en als zij wegloopt, blijft zij minder lang weg dan voorheen. Uit het gesprek met [de minderjarige] is ook gebleken dat zij inzicht heeft in haar handelen. Hoewel [de minderjarige] kleine stappen zet, is het van belang dat de stijgende lijn wordt voorgezet. Zowel uit de overgelegde stukken als wat ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [de minderjarige] de gesloten setting hiervoor nodig heeft.
De kinderrechter constateert verder dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken tot 30 april 2026. Gelet daarop machtigt de kinderrechter de GI dan wel de WSS om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 april 2026. De resterende termijn van het verzoek zal worden afgewezen.
4De beslissing
4.1.
verlengt de machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 april 2026;
4.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. S.W.S. Kiliç, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gezet op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370596 / JU RK 25-1418
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen [de minderjarige] ,
advocaat mr. D.E. Post uit Heerhugowaard.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de WSS.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 4 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
de brief van de WSS, met bijlagen, van 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van [de minderjarige] ;
de moeder;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, bijgestaan door haar advocaat, haar mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, te weten bij een gesloten behandelgroep bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 februari 2025 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 mei 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 30 april 2025 is [de minderjarige] vervolgens definitief onder toezicht gesteld tot 30 april 2026.
2.4.
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 7 februari 2025 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, welke machtiging daarna telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 7 maart 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 december 2025 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de WSS.
beschikking van 4 november 2025
3.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 4 november 2025 is het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp toegewezen voor de (kortere) duur van vier maanden. De kinderrechter heeft hierbij overwegen dat de situatie rondom [de minderjarige] volledig is gestagneerd in het half jaar voordat de zitting plaatsvond. De kinderrechter hoopt dat met een kortere duur van vier maanden te voorkomen en heeft de hoop uitgesproken dat [de minderjarige] deze kans aangrijpt en behandeling aangaat. Het verzoek is voor de resterende twee maanden aangehouden.
nadere informatie en standpunt GI
3.2.
De WSS, die op dit moment de ondertoezichtstelling uitvoert, heeft bij brief van 13 februari 2026 het volgende naar voren gebracht.
De gesloten uithuisplaatsing lijkt nu (pas) effect te hebben. Ondanks dat er soms nog steeds sprake is van heftige incidenten met suïcidale uitspraken laat [de minderjarige] langzaamaan contact toe bij de pedagogisch medewerkers. Ze vernielt geen spullen meer, loopt minder weg, komt sneller terug als ze wegloopt en het lukt om met haar gesprekken daarover te voeren. De zelfstandige buitenmomenten blijven lastig omdat [de minderjarige] makkelijk beïnvloed wordt, niet in staat is zijn grenzen aan te geven en zich (daardoor) niet houdt aan afspraken.
[de minderjarige] heeft continue co-regulatie nodig, om de wereld en de daarbij komende sociale relaties te duiden en de gesloten kaders sluiten hier goed op aan. Vanuit deze kaders, waarbij [de minderjarige] wordt geholpen om om te gaan met afwijzing en waarbij continuïteit in de verbinding wordt geboden, kunnen kleine stappen richting open kaders worden genomen. [de minderjarige] haar lerend vermogen is beperkt en haar hechting lijkt van grote invloed te zijn op dit proces. Dat maakt dat [de minderjarige] echt nog de gesloten kaders nodig heeft om deze kleine positieve ontwikkeling verder door te kunnen zetten. De WSS verzoekt daarom – zo begrijpt de rechtbank – om de resterende termijn van het verzoek toe te wijzen.
3.3
Namens de WSS is hier ter zitting aan toegevoegd dat de huidige setting voor nu de meest passende plek voor [de minderjarige] is en dat van daaruit wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor begeleid wonen.
het standpunt van de moeder
3.4
De moeder van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat het nu steeds wat beter gaat met [de minderjarige] . Er is structuur, ze gaat naar school en de behandeling is gestart. Momenteel wordt er gezocht naar een stageplek. Binnenkort wordt [de minderjarige] achttien en dan is het bedoeling dat voor haar een passende plek binnen begeleid wonen wordt gevonden. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige] als zij tussendoor nog naar een open plek zou moeten; daar is [de minderjarige] nog niet aan toe. [de minderjarige] heeft een setting nodig waarbij zij 24 uur per dag de nodige zorg kan krijgen. Gelet hierop staat de moeder achter toewijzing van de resterende termijn van het verzoek.
het standpunt van [de minderjarige] en haar advocaat
3.5
[de minderjarige] heeft aangegeven dat ze wel bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] wil blijven, maar dan zonder machtiging gesloten jeugdhulp. Ze loopt nu minder vaak weg en het geeft haar voldoening dat het nu beter met haar gaat. [de minderjarige] heeft soms nog moeite met het inleveren van haar telefoon op het afgesproken tijdstip, maar zij accepteert wel de consequenties die daaraan vast hangen. Verder wil zij stoppen met het gebruik van harddrugs; zij ziet in dat dat niet gezond is.
Namens [de minderjarige] heeft haar advocaat verzocht om de machtiging gesloten jeugdhulp niet te verlengen. Zij is zich er echter van bewust dat [de minderjarige] zich op [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] in positieve zin ontwikkelt en dat dit in het belang van [de minderjarige] is.
overwegingen kinderrechter
3.6
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
3.7
De kinderrechter heeft niet de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen. Gelet op de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] heeft de kinderrechter hiervan afgezien.
3.8
De kinderrechter constateert dat [de minderjarige] zich inmiddels positief ontwikkelt binnen de huidige setting op [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . [de minderjarige] komt beter in contact met de groepsleiding, ze volgt therapie en ze kan bij haar behandelaar haar gevoelens uitten. Gebleken is dat de boosheid van [de minderjarige] is verminderd en als zij wegloopt, blijft zij minder lang weg dan voorheen. Uit het gesprek met [de minderjarige] is ook gebleken dat zij inzicht heeft in haar handelen. Hoewel [de minderjarige] kleine stappen zet, is het van belang dat de stijgende lijn wordt voorgezet. Zowel uit de overgelegde stukken als wat ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [de minderjarige] de gesloten setting hiervoor nodig heeft.
De kinderrechter constateert verder dat de ondertoezichtstelling is uitgesproken tot 30 april 2026. Gelet daarop machtigt de kinderrechter de GI dan wel de WSS om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 april 2026. De resterende termijn van het verzoek zal worden afgewezen.
verlengt de machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 april 2026;
4.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. S.W.S. Kiliç, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gezet op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
