ECLI:NL:RBOVE:2026:5639

Veroordeling tot betaling geldsom omdat niet aan de nadere afspraak is voldaan.

Rechtbank Overijssel 29 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:5639 text/xml public 2026-09-29T12:00:20 2026-09-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-09-22 12268536 CV EXPL 26-1096 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5639 text/html public 2026-09-23T12:52:22 2026-09-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:5639 Rechtbank Overijssel , 22-09-2026 / 12268536 CV EXPL 26-1096
Veroordeling tot betaling geldsom omdat niet aan de nadere afspraak is voldaan.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 12268536 CV EXPL 26-1096

Vonnis van 22 september 2026

in de zaak van

[eiser] B.V., tevens handelend onder de naam [bedrijf],

te [vestigingsplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: Credifixx Incassoservice B.V.,

tegen
1 [gedaagde 1],
te [vestigingsplaats 2],

en haar maten,
2 2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 1],3. [gedaagde 3],

te [woonplaats 2],4. [gedaagde 4],

te [woonplaats 3],

gedaagde partijen,

hierna samen ook te noemen: de [gedaagden] (in enkelvoud),

procederend zonder gemachtigde.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 mei 2026;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De samenvatting 2.1.
[eiser] vordert betaling van een onbetaalde factuur te vermeerderen met rente en kosten. Deze factuur had zij eerst gecrediteerd, maar omdat de [gedaagden] de daarbij behorende afspraken niet is nagekomen, heeft zij deze factuur alsnog in rekening gebracht.
2.2.
De [gedaagden] erkent dat ze te laat heeft betaald, maar benadrukt dat ze veel kosten heeft gemaakt in verband met de gezondheid van de koeien.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat de [gedaagden] de factuur wel alsnog moet betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3De feiten 3.1.
[eiser] houdt zich onder meer bezig met veterinaire dienstverlening.
3.2.
De [gedaagden] is actief op het gebied van onder andere het fokken en houden van melkvee.
3.3.
[eiser] heeft in opdracht van de [gedaagden] verschillende veterinaire diensten verricht. Zij heeft deze diensten met verschillende facturen in rekening gebracht.
3.4.
Op enig moment is er een discussie ontstaan over de betaling van een aantal facturen door de [gedaagden]. Op 27 maart 2025 heeft [eiser] naar aanleiding van een telefoongesprek een e-mail naar de [gedaagden] gestuurd, waarin – kort samengevat – staat dat [eiser] een creditnota van € 1.000,00 aan de [gedaagden] zou sturen, welke nota zou worden verrekend met de factuur van augustus 2023. De [gedaagden] zou dan wel vóór 1 mei 2025 alle openstaande facturen (op dat moment tot en met februari 2025) moeten betalen. Zo niet, dan zou de creditnota komen te vervallen. De [gedaagden] is verzocht om dit per e-mail te accorderen.
3.5.
Op 31 maart 2025 heeft [eiser] de volgende e-mail naar de [gedaagden] gestuurd:

“[…] Telefonisch hebben wij vanmiddag elkaar gesproken en hierin gaf u aan akkoord te gaan met onderstaande email/afspraken.

De creditnota is aangemaakt en bijgevoegd. Net als de factuur waarop de verrekening heeft plaatsgevonden. […]”
3.6.
Bij e-mail van 8 mei 2025 heeft [eiser] het volgende aan de [gedaagden] geschreven:

“[…] Wij zien in onze administratie dat onderstaande afspraken niet zijn nagekomen.

De factuur van februari 2025 is tot op heden niet aan ons voldaan (28-02-2025 7381 2025-1 800 met een openstaand bedrag van €1.486,39).

Deze zou voor 1 mei 2025 voldaan worden, anders zou de reeds toegekende credit van €1 .000,- komen te vervallen.

Daarnaast zien wij ook de factuur van maart nog open staan (31-03-2025 7381-2025-2928 met een openstaand bedrag van €1.699,60).

Om u nog een laatste betaalmogelijkheid te geven willen wij u verzoeken beide facturen voor 19 mei 2025 naar ons over te boeken. Mocht dit u onverhoopt niet lukken, dan zullen wij de credit van €1.000,- opnieuw in rekening brengen. […]”
3.7.
Op 19 mei 2025 volgt er opnieuw een e-mail van [eiser] aan de [gedaagden]:

“[…] Vandaag is het 19 mei 2025. Wij zien tot op heden de factuur van februari voldaan, waarvoor dank.

Maar de factuur van maart staat echter nog open (31-03-2025 7381-2025-2928 met een openstaand bedrag van €1.699,60). Deze zou voor vandaag voldaan moeten zijn.

Omdat de betaling mogelijk nog niet verwerkt is door onze debiteurenafdeling/beider banken, zullen wij aanstaande vrijdag nogmaals kijken of de betaling binnen is.

Mocht de betaling van de maand maart aanstaande vrijdag 23 mei 2025 nog niet bij ons binnen zijn dan zullen wij de credit van €1.000,- opnieuw in rekening brengen. […]”
3.8.
De [gedaagden] heeft op 20 mei 2025 gereageerd dat – volgens haar – aan de afspraken is voldaan.
3.9.
Een dag later, op 21 mei 2025, schrijft [eiser] het volgende:

“[…] De factuur van februari 2025 was op 8 mei nog niet voldaan (28-02-2025 7381-2025-1800 met een openstaand bedrag van €1.486,39).

Deze zou voor 1 mei 2025 voldaan worden, anders zou de reeds toegekende credit van €1.000,- komen te vervallen.

Daarnaast zagen wij ook de factuur van maart nog open staan (31-03-2025 7381-2025-2928 met een openstaand bedrag van €1.699,60).

Omdat de factuur van februari niet betaald was voor 1 mei hadden wij u eigenlijk direct weer de €1 .000,- credit in rekening moeten brengen.

Om u toch nog een laatste betaalmogelijkheid te geven hebben wij u verzocht beide facturen voor 19 mei 2025 naar ons over te boeken.

Hiermee gaven wij u toch nog een extra kans om de afspraken na te komen. Inmiddels is het 19 mei geweest en hebben wij de betaling van maart niet van u ontvangen.

Wel die van februari, maar deze hebben wij pas ruim na de afgesproken datum van 1 mei ontvangen.

Zoals eerder aangegeven zullen wij aanstaande vrijdag kijken of de factuur van maart wel voldaan is (dan weten we zeker dat alle banktransacties verwerkt zijn), als de factuur van maart dan niet is bijgeschreven zullen wij de credit van €1.000,- opnieuw in rekening brengen. […]”
3.10.
Op 26 mei 2025 heeft [eiser] in een e-mail aan de [gedaagden] geschreven dat de factuur van maart 2025 nog niet voldaan was en dat daarmee zowel de oorspronkelijke afspraak als de uitzondering niet was nagekomen. Daarom heeft [eiser] de toegekende credit van € 1.000,00 bij factuur van 30 mei 2025 aan de [gedaagden] in rekening gebracht, welke binnen veertien dagen betaald had moeten worden. Dat is niet gebeurd.
3.11.
Vanaf 11 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] de [gedaagden] meerdere keren aangeschreven en gesommeerd om de factuur van € 1.000,00 te betalen. De factuur is niet betaald.
4Het geschil 4.1.
[eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van de [gedaagden] tot betaling van € 1.241,15, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
De [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling 5.1.
Tussen partijen staat vast dat de [gedaagden] het bedrag van € 1.000,00 aanvankelijk aan [eiser] moest betalen. Partijen hebben daar (eerst) in maart 2025 nadere afspraken over gemaakt, in die zin dat de [gedaagden] dat bedrag gecrediteerd zou krijgen (dus niet hoefde te betalen), wanneer zij (onder andere) de factuur van februari 2025 vóór 1 mei 2025 zouden betalen. Deze datum is uiteindelijk verschoven naar 23 mei 2025.
5.2.
Deze afspraak wordt door de [gedaagden] erkend. De reden van de afspraak was gelegen in de problemen die de [gedaagden] gedurende een aantal jaren had met de gezondheid van de koeien. Dit bleek te zijn veroorzaakt door de voeding. De voerleverancier is de [gedaagden] hiervoor tegemoet gekomen en de creditering van € 1.000,00 door de [eiser] hield ook verband met deze problemen.
5.3.
Nu de [gedaagden] erkent dat zij te laat heeft betaald en daarmee de (nadere) afspraak niet is nagekomen (het betalen van de facturen binnen de gestelde termijn(en)), heeft [eiser] recht heeft op betaling van het bedrag van € 1.000,00. De vordering tot betaling van die factuur zal dan ook worden toegewezen.
5.4.
Dat de [gedaagden] betalingsproblemen had maakt het niet anders. Door de termijn te verlengen van 1 naar 23 mei 2025 heeft Evidensia voldoende rekening gehouden met de belangen van de [gedaagden]. De [gedaagden] had over haar betalingsproblemen met Evidensia in contact kunnen treden toen de laatste betaaldag van 23 mei 2025 naderde, maar dat heeft zij niet gedaan.

Wettelijke handelsrente
5.5.
[eiser] vordert verschenen wettelijke (handels)rente van € 91,15 berekend tot en met 5 mei 2026. De [gedaagden] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit deel van de vordering wordt toegewezen.
5.6.
Dat geldt ook voor de gevorderde lopende wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.000,00, te rekenen vanaf 6 mei 2026. De [gedaagden] heeft hier namelijk ook geen verweer tegen heeft gevoerd. Bovendien is aan de wettelijke vereisten voldaan, nu sprake is van vertraging in de betaling van een geldsom, die voortvloeit uit een handelsovereenkomst tussen twee partijen die handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.

Buitengerechtelijke incassokosten
5.7.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] beroept zich op algemene voorwaarden. De [gedaagden] heeft de toepassing daarvan niet betwist. Partijen zijn daarin een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat de [gedaagden] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
5.8.
De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden toegewezen, nu de [gedaagden] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen haar gesloten overeenkomst niet heeft betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan. Daarom zal een bedrag van € 150,00 worden toegewezen.

Hoofdelijke aansprakelijkheid
5.9.
[eiser] heeft gevorderd dat alle gedaagden (de [gedaagden] en haar drie vennoten c.q. maten) hoofdelijk worden veroordeeld. [eiser] heeft gecontracteerd met een maatschap. Als hoofdregel geldt dat de maatschap, hoewel die geen rechtspersoonlijkheid heeft, allereerst zelf aansprakelijk is. [eiser] kan zich dus verhalen op het afgescheiden vermogen van de [gedaagden]. Daarnaast zijn de afzonderlijke maten aansprakelijk. Volgens de wet(artikel 7A:1680 BW) zijn zij jegens de wederpartij aansprakelijk voor gelijke som en gelijke delen. Dit betekent dat [eiser] de keuze heeft: ofwel zij verhaalt haar vordering op ieder van de maten (ieder voor 1/3e deel), ofwel zij verhaalt haar vordering op het afgescheiden vermogen van de [gedaagden]. De [gedaagden] is daarmee hoofdelijk verbonden met de gezamenlijke maten. Dat betekent dat voor zover de [gedaagden] de vorderingen heeft voldaan, de maten dat niet meer hoeven te doen en dat ieder van de maten individueel slechts voor 1/3e deel kan worden aangesproken.

Conclusie
5.10.
De [gedaagden] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.241,15, bestaande uit:

€ 1.000,00 aan de onbetaalde factuur,

€ 91,15 aan verschenen wettelijke rente tot en met 5 mei 2026,

€ 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.000,00 te rekenen vanaf 6 mei 2026.

De maten zullen worden veroordeeld tot betaling van hun deel als hierboven in 5.9. is bepaald.

Proceskosten
5.11.
De [gedaagden] wordt in het ongelijk gesteld en de maten worden grotendeels in het ongelijk gesteld. Gelet hierop moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) – hoofdelijk – betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

133,18

- griffierecht

€

350,00

- salaris gemachtigde

€

288,00

(2 punten × € 144,00)

- nakosten

€

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

843,18
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt gedaagde onder 1. enerzijds en de afzonderlijke maten (gedaagden onder 2., 3. en 4.) anderzijds hoofdelijk, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 5.9. is overwogen over de aansprakelijkheid voor gelijke delen van de maten, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.241,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.000,00, met ingang van 6 mei 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 843,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Artikel delen