ECLI:NL:RBROT:2022:1097

Boete opgelegd aan vervoerder voor overtreding van de Transportverordening. Rund vervoerd dat niet geschikt was voor het transport omdat het niet in staat was op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Overtreding terecht vastgesteld. Boete terecht opgelegd. Beroep ongegrond.

Rechtbank Rotterdam 29 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2022:1097 text/xml public 2026-09-29T08:55:26 2022-02-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2022-02-09 ROT-20_6452 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2022:1097 text/html public 2026-09-29T08:51:59 2026-09-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2022:1097 Rechtbank Rotterdam , 09-02-2022 / ROT-20_6452
Boete opgelegd aan vervoerder voor overtreding van de Transportverordening. Rund vervoerd dat niet geschikt was voor het transport omdat het niet in staat was op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Overtreding terecht vastgesteld. Boete terecht opgelegd. Beroep ongegrond.
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/6452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2022 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser,
gemachtigde: D.M.G. Mols,

en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. L. Harteveld.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 6.000,- omdat hij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.

Bij besluit van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2021. Namens eiser is verschenen [naam], bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Overwegingen
1. In het rapport van bevindingen van 30 maart 2020 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij zich op 10 maart 2020 omstreeks 7:55 uur naar aanleiding van regulier toezicht bevond in de stal van het slachthuis van Exportslachterij J. Gosschalk en Zn. B.V. Bij de levende keuring werd een vrouwelijk rund met I&R-nummer [nummer] ter keuring aangeboden. Het rund toonde kreupel aan haar rechter achterpoot en daarom werd ze apart gezet in het hok waar de dieren met een afwijking in staan. De toezichthouder had op dat moment geen tijd het dier nader te bekijken en bekeek het dier een half uur later. De toezichthouder zag een opgetrokken buik en dat het dier alleen de punt van haar klauw aan de grond hield. Bij inspectie van de rechter achterpoot zag de toezichthouder een sterk gezwollen kniegewricht. Toen de toezichthouder aan de knie van het dier voelde, voelde die warm aan en trok het dier haar poot op. Bij verdere inspectie van de koe viel het de toezichthouder op dat het dier meerdere huidlaesies had op haar linker achterpoot: halverwege de femur, op de buitenzijde van het spronggewricht en op de achterzijde van de hak. De toezichthouder wilde zien hoe de koe bewoog en daarom maande hij haar om een paar stappen te doen. Dit kostte veel moeite. Het dier wilde liever niet lopen. Uiteindelijk deed het dier een paar stappen en toonde daarop flink kreupel. Het dier zette haar rechter achterpoot heel voorzichtig aan de grond en maakte met linksachter een snelle korte stap, zodat ze snel haar rechter achterpoot weer kon optillen en deze zo min mogelijk hoefde te belasten.
1.1.
Op basis van zijn kennis als dierenarts stelde de toezichthouder vast dat het dier kreupel was en een sterk verminderde belasting toonde van haar rechter achterpoot in stilstand. De ernstige zwelling en het warm aanvoelen van het kniegewricht van de rechter achterpoot duidden volgens de toezichthouder op een ontsteking van dit gewricht. Het niet willen lopen, de ernstige kreupelheid en het nauwelijks belasten in stilstand duiden op pijn. De huidlaesies op de andere achterpoot zijn laesies die ontstaan doordat de koe de pijnlijke ledemaat probeert te ontlasten. Ter compensatie belast het dier daardoor de andere ledemaat op een dusdanige manier dat er huidlaesies kunnen ontstaan, bijvoorbeeld door teveel te liggen op de andere zijde of bij opstaan meer het gewicht op de andere zijde te gooien. Dit soort laesies ter compensatie ontstaan pas na meerdere dagen. Tijdens het transport zal de koe de rechter achterpoot meer hebben moeten belasten om haar evenwicht te bewaren. Beweging en belasting tijdens transport (bij scherpe bochten of hobbels in de weg) zijn zeer pijnlijk bij een ontsteking aan het kniegewricht. Het vervoer heeft onnodig extra lijden voor het rund tot gevolg gehad. Vanuit zijn deskundigheid als dierenarts concludeerde de toezichthouder dat de kreupelheid reeds meerdere dagen en voorafgaand aan het transport aanwezig was.

2. Op basis van het rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 6.000,- voor het volgende beboetbare feit: de vervoerder vervoerde een rund dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b en artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder punt a, van de Transportverordening. De opgelegde boete is een verhoogde boete in verband met recidive.
2.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiser heeft aangevoerd dat er tijdens het lossen en bij de overdracht van de transporteur naar de slachterij geen sprake was van ernstig lijden bij het betreffende dier. Eiser betwist niet dat het dier een lichte vorm van kreupelheid vertoonde, maar wel dat het ernstig kreupel was. Dat het dier niet ernstig kreupel was leidt eiser af uit het feit dat de toezichthouder bij het lossen niet heeft ingegrepen en het dier heeft doorverwezen naar een cat. 2-stal waarin runderen met een beperkte afwijking worden geplaatst. Dat het dier na het lossen is aangetroffen met een ernstige afwijking kan niet aan eiser als transporteur worden aangerekend, omdat de transporteur na het lossen niet meer verantwoordelijk is voor het dier, aldus eiser.
3.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiser artikel 3, aanhef en onder b en artikel 6, derde lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder punt a, van de Transportverordening heeft overtreden en daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiser voornoemde bepalingen heeft overtreden steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in voldoende mate uit het rapport van bevindingen dat eiser de koe niet had mogen vervoeren, omdat de koe niet in staat was om op eigen kracht pijnloos te bewegen. De toezichthouder heeft in het rapport duidelijk beschreven dat het dier kreupel was aan de rechter achterpoot en dat het dier alleen de punt van de klauw op de grond zette. Het dier had een sterk gezwollen kniegewricht aan de rechter achterpoot, dat warm aanvoelde, hetgeen duidt op een ontsteking. Bij aanraking trok het dier de poot op. Na aanmaning door de toezichthouder om te lopen wilde het dier niet. Uiteindelijk zette het dier een paar stappen waarbij het de rechter achterpoot voorzichtig op de grond zette en met de linker achterpoot een korte snelle stap zette om de rechter achterpoot zo min mogelijk te belasten. Verder blijkt uit het rapport van bevindingen dat de toezichthouder op de linker achterpoot huidlaesies heeft aangetroffen, die zijn ontstaan doordat de koe de pijnlijke ledemaat probeerde te ontlasten. Volgens de toezichthouder ontstaan dit soort laesies ter compensatie na meerdere dagen en was de kreupelheid meerdere dagen voor aanvang van het transport al aanwezig.
3.3.
Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij geen concrete aanknopingspunten aangedragen voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen die de toezichthouder in het rapport van bevindingen gemotiveerd heeft beschreven. Eiser heeft zijn stelling dat het dier voorafgaand aan het transport alleen licht kreupel was niet onderbouwd. Dat de toezichthouder het dier in een cat. 2-hok voor runderen met een beperkte afwijking apart heeft gezet is onvoldoende voor de conclusie dat het betreffende dier enkel licht kreupel was, nu de toezichthouder in het rapport van bevindingen duidelijk heeft beschreven waarom het dier niet in staat was om op eigen kracht pijnloos te bewegen en niet vervoerd had mogen worden. Uit het rapport blijkt immers dat het dier een sterk gezwollen kniegewricht aan de rechter achterpoot had, dat de knie warm aanvoelde, en bij aanraking het dier de poot optrok. Daarnaast blijkt uit het rapport dat het dier op de linker achterpoot huidlaesies had, die zijn ontstaan doordat het dier de pijnlijke rechter achterpoot probeerde te ontlasten. Gelet op eisers toelichting ter zitting dat de dieren ’s nachts geladen zijn en het feit dat de inspectie heeft plaatsgevonden om ca. 08.30 uur, heeft het transport niet lang geduurd. Hoewel in het rapport de grootte van de huidlaesies niet zijn beschreven, acht de rechtbank het aannemelijk dat deze laesies niet op korte termijn zijn ontstaan en dat eiser deze laesies had kunnen zien, voor zover hij de kreupele achterpoot niet zou hebben kunnen zien. Eiser heeft daartegenover niet met informatie van een deskundig dierenarts onderbouwd dat de geconstateerde afwijking pas na het lossen is ontstaan of verergerd. Eisers stelling dat hij na het lossen als transporteur niet verantwoordelijk is doet er niet aan af dat de kreupelheid reeds voor het transport aanwezig was, zodat hij het dier niet had mogen vervoeren.
3.4.
Nu eiser, gelet op het voorgaande, geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen uit het rapport van bevindingen, mocht verweerder afgaan op de juistheid van de inhoud van dat rapport. Op basis van dat rapport heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser een rund liet vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport en daarmee de voorschriften in bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, onder a, van de Transportverordening heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd om eiser daarvoor een boete op te leggen.

4. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat de opgelegde boete onevenredig hoog is doordat bij een herhaalde overtreding de hoogte van de boete steeds oploopt en dat hij als transportondernemer daar erg door wordt benadeeld.
4.1.
Ten aanzien van de hoogte van de boete overweegt de rechtbank dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Transportverordening gediende doel, het waarborgen van dierenwelzijn, staat voorop. De rechtbank vindt de gebruikelijke boete van € 1.500,- voor dit soort overtredingen in het algemeen evenredig. In dit geval heeft verweerder de boete verhoogd tot € 6.000,- omdat sprake is van recidive. Deze verhoging is conform artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Eiser heeft eerder een boete gekregen voor eenzelfde overtreding. Die boete was destijds ook vanwege recidive verhoogd tot € 4.500,-. Ten aanzien van eisers stelling dat de opgelegde boete onevenredig hoog is doordat bij een herhaalde overtreding de hoogte van de boete steeds oploopt overweegt de rechtbank dat de wetgever er nadrukkelijk voor heeft gekozen om herhaling van een overtreding zwaarder te bestraffen door het boetebedrag te verhogen. Het doel van de boete is immers ook het afdoende voorkomen van herhaling in het specifieke geval. De verhoging in dit geval vindt de rechtbank ook niet onredelijk of onevenredig. Nu eiser niet heeft aangetoond dat zijn bedrijf zich in een financiële noodsituatie bevond, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder geen of een lagere boete had moeten opleggen

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 februari 2022.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel delen