Waarom deze rechtszaak ver PFAS?

De rechtbank begint de uitspraak met de erkenning dat PFAS grote risico’s kan meebrengen voor milieu en gezondheid. Daarom is het nodig om verdere verspreiding tegen te gaan en maatregelen te treffen tegen PFAS die al in het milieu aanwezig is. Door die stoffen zoveel mogelijk te verwijderen of het gevaar ervan te beperken.

De rechtszaak is aangespannen door verschillende milieuorganisaties. Zij vinden dat de Staat te weinig doet en te langzaam stappen zet. Zij beroepen zich daarbij ook op mensenrechten, met name het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM). Zo heeft bijna iedereen in Nederland te veel PFAS in zijn bloed. Volgens hen schendt de Staat deze rechten door de PFAS-problematiek niet sneller en strenger aan te pakken. De rechtbank kan deze mensenrechten betrekken in zijn beoordeling, maar doet de zaak uiteindelijk op andere gronden af.

Wat oordeelt de rechtbank?

De rechtbank maakt duidelijk dat de aanpak van PFAS niet alleen een juridische, maar ook een politiek-bestuurlijke kwestie is. De overheid moet bij de aanpak keuzes maken en verschillende belangen tegen elkaar afwegen. Zoals de beperking van de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, en de woningbouw en drinkwaterproductie. Daarvoor heeft de Nederlandse Staat veel beleidsruimte. Dat betekent dat het niet de taak van de rechter is om te bepalen welke maatregelen de Staat precies moet nemen. De rechter grijpt pas in als de Staat met zijn keuzes buiten de grenzen van het recht treedt.

De rechtbank oordeelt dat de Staat met zijn huidige PFAS-beleid op dit moment voldoende doet. De Staat schiet dus niet tekort in zijn zorgplicht. Zo is het nog onzeker wanneer voldaan moet worden aan de kwaliteitsnormen voor het oppervlaktewater. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de Staat nu te weinig doet om zijn verplichtingen na te komen. Ook mag de Staat ervoor kiezen om zich alleen in Europees verband in te zetten voor een PFAS-verbod. De milieuorganisaties hadden gevraagd om een nationaal verbod.

Tegen de uitspraak is hoger beroep mogelijk.

Wat hebben PFAS met mensenrechten te maken?

PFAS zijn chemische stoffen die niet van nature in het milieu voorkomen. Ze zijn door de mens gemaakt. Bekend is dat ze niet of nauwelijks afbreken, zich makkelijk verspreiden, ophopen in het menselijk lichaam en de natuur, en schadelijke effecten kunnen hebben.

Het wijdverspreide gebruik van PFAS heeft negatieve gevolgen voor het recht op gezondheid, schoon drinkwater en een gezond leefmilieu. Zo zijn bepaalde vormen van PFAS kankerverwekkend en hebben ze een negatieve invloed op de voortplanting van mensen. PFAS brengt ook de drinkwatervoorziening in Nederland in gevaar. Eenmaal in het watersysteem is het moeilijk en kostbaar PFAS te verwijderen.

Het gaat ook om het recht op gelijke behandeling. De problemen van PFAS raken niet iedereen even hard. Mensen die in de omgeving Dordrecht en Westerschelde wonen, worden meer blootgesteld aan PFAS dan andere inwoners van Nederland. In deze regio's is chemische industrie actief geweest die PFAS gebruikte en via lozingen en water en uitstoot naar de lucht in het milieu terecht liet komen. Ook toekomstige generaties zullen meer lasten dragen van het huidige gebruik van PFAS, omdat de kosten van verontreiniging, monitoring en sanering nog lang na de uitstoot doorgaan.

Mensenrechten als raamwerk voor PFAS-beleid

Over de impact van PFAS op mensenrechten in Nederland schreven de Unie van Waterschappen, de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (VEWIN) en het College een gezamenlijk brief aan een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. PFAS vormen een gevaar voor de gezondheid van mens en milieu, nu en op de lange termijn. Mensenrechten bieden volgens het College een belangrijk juridisch kader voor PFAS-beleid. De nadruk moet liggen op het nemen van voorzorgsmaatregelen en het voorkomen van gebruik en verspreiding van PFAS, omdat het niet of nauwelijks mogelijk is om PFAS te verwijderen. Een universeel totaalverbod op PFAS is daarom passend. Uitzonderingen daarop moeten streng worden uitgelegd. Door het PFAS-beleid te beoordelen vanuit het perspectief van de mensenrechten, wordt ook duidelijk dat Nederland verplicht is om te zorgen voor adequate monitoring en handhaving, procedurele waarborgen (zoals het recht op informatie, participatie en rechtsbescherming) en non-discriminatie. Zo ontbreekt op dit moment biometrische informatie over PFAS in Caribisch Nederland. Dat valt niet rijmen met de genoemde rechten.

De Speciaal Rapporteur gebruikt de inbreng voor een rapport over dit onderwerp. Dit rapport wordt eind 2026 verwacht.

Gerelateerd nieuws

PONT-gesprek: “Een presterende overheid begint bij vertrouwen in professionals”

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen spreken regeringscommissaris voor informatiehuishouding Arre Zuurmond en voormalig gemeentesecretaris en wethouder Arjan van Gils met moderator Floris Lazrak over een vraag die in veel gemeenten speelt: wat maakt een overheid écht presterend? Is dat vooral een kwestie van regels, controle en rapportages of juist van ruimte voor vakmanschap en gezond verstand?

PONT-gesprek: “Preventie kan veel zorgkosten voorkomen, maar wie betaalt de investering?”

De druk op de zorg loopt snel op en schept zorgen voor de toekomst. In het eerste deel van de reeks PONT-gesprekken gaan Herm Kuipers (concerndirecteur sociaal domein bij de gemeente Arnhem) en Stanleyson Hato (Invest-NL) in op een vraag die steeds urgenter wordt: hoe kan de zorg en ondersteuning van kwetsbare inwoners nu en in de toekomst werkelijk gewaarborgd worden?

PONT-gesprek: “Bouw een stad waar je in 2030 én 2040 trots op kunt zijn”

Gezond stedelijk leven voor iedereen – hoe realiseer je dat? Een vraag die bij Ronald Venderbosch in goede handen is. Na een lange carrière met bestuurlijke en leidinggevende functies binnen de publieke sector is hij nu concerndirecteur bij de Gemeente Utrecht met precies deze opdracht. In gesprek met PONT geeft Venderbosch zijn visie op de uitdagingen én mogelijke oplossingen. “Bouwdrift en woonkwaliteit zijn een continu spanningsveld.”

College oordeelt: geen leeftijdsdiscriminatie bij keuze voor spreidingstermijn van tien jaar in nieuw pensioenstelsel

ABN AMRO en het pensioenfonds van de bank maken geen verboden onderscheid op grond van leeftijd door bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel een spreidingstermijn van tien jaar toe te passen. Dat oordeelt het College voor de Rechten van de Mens.