In het kort

Het College heeft zich gebogen over de beloning van vrouwelijke rechters in één collectieve zaak en drie individuele zaken.

De beoordeling gaat over twee momenten waarop rechterlijke ambtenaren worden ingeschaald: bij benoeming tot rechter in opleiding en bij de benoeming tot rechter.

Het ‘laatstverdiend salaris’ is ten onrechte gehanteerd als criterium voor vaststelling van het salaris. Het biedt volgens het College onvoldoende ruimte voor de waardering van relevante ervaring en zegt weinig over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie.

In juli 2024 heeft de Staat het inschalings- en beloningsbeleid met terugwerkende kracht aangepast. Daarbij is het criterium ‘laatstverdiend salaris’ vanaf juli 2023 komen vervallen.

Het College verwacht van de Staat dat opvolging wordt gegeven aan haar oordelen en dat wordt bekeken of er mogelijkheden zijn voor financiële compensatie van de betrokken rechters.

Collectieve zaak

Stichting Bureau Clara Wichmann heeft het College in de collectieve zaak gevraagd om te beoordelen of de Staat vrouwelijke rechters discrimineert met het ‘laatstverdiend salaris’ criterium. De Staat hanteerde dit criterium sinds 1994 bij het inschalen en belonen van rechters. Dit houdt in dat voor de inschaling wordt aangesloten bij het salaris dat iemand verdiende vóór de overstap naar de rechterlijke macht. Bureau Clara Wichmann stelt dat dit inschalings- en bezoldigingsbeleid vrouwen discrimineert, omdat vrouwen gemiddeld een lager laatstverdiend salaris hebben.

De Staat is het niet met Bureau Clara Wichmann eens en stelt dat het inschalingsbeleid ‘deugdelijk, transparant en in overeenstemming met sociale partners is gevormd’. Voor zover er wel sprake is van een verschil tussen mannen en vrouwen, vindt de Staat dat dit gerechtvaardigd is.

Laatstverdiend salaris

Het College beoordeelt in deze zaak de inschalings- en beloningssystematiek over de periode van 1994 tot en met 1 juli 2023, de periode waarin het criterium ‘laatstverdiend salaris’ wordt toegepast. Er zijn twee momenten waarop rechterlijke ambtenaren worden ingeschaald, eerst bij benoeming tot rechter in opleiding en daarna bij benoeming tot rechter. Het College beoordeelt deze twee momenten apart.

Discriminatie van rechters in opleiding

Het ‘laatstverdiend salaris’ criterium biedt volgens het College onvoldoende ruimte voor de waardering van relevante ervaring en zegt weinig over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie. Denk bijvoorbeeld aan een jurist met vijftien jaar werkervaring in de sociale advocatuur en een laag laatstverdiend salaris, en een jurist uit de commerciële advocatuur met zes jaar werkervaring met een hoger laatstverdiend salaris. Het hanteren van dit criterium leidt gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen.

3,5% verschil

Uit een onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence (Onderzoek Beloningsverschillen) blijkt dat binnen de groep rechters in opleiding daadwerkelijk beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. In het onderzoeksrapport staat dat, onder de groep rechters die is gestart met de opleiding, een statistisch significant beloningsverschil van gemiddeld 3,5% is gevonden in het voordeel van mannen. Naarmate de leeftijdscategorieën oplopen, wordt het gemiddelde beloningsverschil in het voordeel van de man groter. Daarom oordeelt het College dat er een vermoeden is van indirect onderscheid op grond van geslacht. De Staat is er niet in geslaagd om het vermoeden te ontkrachten.

Heeft de Staat een goede reden voor het onderscheid?

Indirect onderscheid is verboden, tenzij er een goede reden (objectieve rechtvaardiging) voor bestaat. Daarvoor moet het doel eerlijk en verdedigbaar (legitiem) zijn, en moet het middel dat wordt ingezet passend en noodzakelijk zijn.

De Staat voert aan dat het beleid als doel had om een te grote inkomensachteruitgang te voorkomen voor personen die overstappen naar de rechterlijke macht en om voldoende gekwalificeerde en geschikte personen aan te trekken. Deze doelen zijn volgens het College legitiem.

Het College oordeelt ook dat het hanteren van het laatstverdiend salaris een geschikt middel is om gekwalificeerde en geschikte kandidaten aan te trekken. Maar een middel is pas noodzakelijk als het doel niet met andere, minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt.

Alternatieve maatregelen

Volgens het College had de Staat wel degelijk minder onderscheid makende maatregelen kunnen inzetten. Zoals een algemene verhoging van salarissen, beter inspelen op arbeidsmarktomstandigheden door de capaciteitsbehoefte inzichtelijk te maken, en/of een tijdelijke toeslag in periode van grote tekorten toe te passen. De Staat heeft het gemaakte onderscheid daarom niet gerechtvaardigd en discrimineerde vrouwelijke rechters in opleiding bij de beloning.

Geen discriminatie van rechters na benoeming tot rechter

Volgens de Staat worden eventuele beloningsverschillen na de opleiding, bij de benoeming tot rechter, rechtgetrokken. Dat blijkt volgens de Staat ook uit het onderzoeksrapport. Bureau Clara Wichmann wijst erop dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat er wel een klein loonverschil is na benoeming tot rechter. Bovendien vertoont het onderzoeksrapport volgens hen gebreken. Het College heeft een deskundige op het gebied van statistiek gevraagd hierover te adviseren.

Het College oordeelt uiteindelijk dat Bureau Clara Wichmann er niet in slaagt om genoeg feiten aan te voeren voor een vermoeden van discriminatie. Uit het onderzoeksrapport blijkt namelijk dat bij benoeming tot rechter geen statistisch significant beloningsverschil bestaat.

Individuele zaken

Naast de collectieve zaak heeft het College drie individuele zaken afzonderlijk beoordeeld. Deze zaken gaan niet over het beloningssysteem van de Staat, maar over de vraag of in individuele gevallen sprake was van ongelijke beloning tussen een vrouwelijke en mannelijke collega.

Maatmanbeoordeling

Om vast te kunnen stellen dat er sprake is van ongelijke beloning in deze zaken voert het College een maatmanbeoordeling uit. Hierbij kijkt het College naar de beloning van een collega met een ander geslacht die arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verricht. Als deze persoon anders wordt beloond, moet dit worden uitgelegd aan de hand van objectieve criteria, zoals kennis en ervaring. Als deze criteria het verschil niet kunnen verklaren, is er sprake van discriminatie op grond van geslacht.

Verschil niet gerechtvaardigd

In alle drie de gevallen heeft het College vastgesteld dat er maatmannen zijn met een hoger loon zonder goede reden. Dit komt omdat de Staat bij het inschalen van kandidaten rekening heeft gehouden met het laatstverdiende salaris van de kandidaat. Daarnaast is bij sommige maatmannen gebruik gemaakt van een uitzondering op de standaardregels bij het inschalen. Zo ontving in één van de gevallen de mannelijke collega maandelijks bruto €1.914,65 meer dan de vrouwelijke collega voor gelijkwaardig werk, terwijl zij nagenoeg dezelfde werkervaring hadden.

De maatstaf ‘laatstverdiende salaris’ sluit volgens het College onvoldoende aan bij de waardering van relevante werkervaring. Daarom kan dit geen geldige reden zijn voor beloningsverschillen wanneer mensen werk van (nagenoeg) gelijke waarde verrichten. Het College oordeelt dan ook dat de Staat de vrouwelijke rechters in de individuele zaken heeft gediscrimineerd op grond van geslacht door hun lager te belonen dan de maatmannen.

Hoe gaat het verder?

Het College heeft geoordeeld dat de Staat vrouwelijke rechters in opleiding heeft gediscrimineerd en in drie individuele gevallen de vrouwelijke rechters minder heeft beloond dan hun mannelijke collega’s voor gelijkwaardig werk. De oordelen van het College zijn niet juridisch bindend. Dit betekent dat het College de Staat niet kan verplichten om de vrouwelijke rechters te compenseren.

De Staat heeft in juli 2024 een akkoord bereikt over een nieuw inschalings- en beloningsbeleid. Het nieuwe beleid wordt met terugwerkende kracht toegepast vanaf 1 juli 2023. Er wordt binnen de rechtelijke macht dus niet meer gevraagd naar het laatstverdiende loon. Het ligt op de weg van de Staat om te kijken naar de mogelijkheden om de betrokken rechters financieel te compenseren.

Gerelateerd nieuws

Meer inzet nodig voor genderbalans in top bedrijven

Bedrijven blijven zich inzetten voor de man-vrouwverhouding in de (sub)top van hun onderneming. Meer dan 4.000 bedrijven hebben hierover hun (streef)cijfers en maatregelen gerapporteerd aan de SER. Daaruit blijkt onder meer dat het aandeel vrouwen in de besturen van de grote bedrijven is gestegen van 15,3 procent tot 17,3 procent. De groei bij de raad van commissarissen stagneert. Eind 2024 was het aandeel vrouwen daar gemiddeld 26,1 procent. ‘We boeken vooruitgang, maar het gaat te langzaam. Er moet echt een tandje bij’, zegt algemeen-directeur Focco Vijselaar van VNO-NCW.

Vertrouwen centraal stellen in de Participatiewet: hoe doe je dat?

Met de herziene Participatiewet moet vertrouwen in mensen met een bijstandsuitkering centraal staan in de dienstverlening van gemeenten. Vertrouwen vraagt alleen meer dan een herziene wet. Het vraagt om een fundamentele en verreikende herinrichting van de dienstverlening van veel gemeenten. Alleen zien we dat veel gemeenten worstelen met deze omslag. Senior onderzoeker bij Significant Public, Harnold van der Vegte, spreekt met gemeenten die hierin vooroplopen. Want hoe geef je vertrouwen nu echt vorm in de praktijk? En hoe zorg je dat het niet bij mooie woorden blijft, maar dat vertrouwen vanuit gemeenten ook écht voelbaar wordt voor inwoners?

VN-Comité: Nederland schiet tekort in bescherming mensenrechten van vrouwen

Nederland moet meer doen om de mensenrechten van vrouwen te garanderen. Dat concludeert het VN-Comité inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen in zijn slotcommentaar over Nederland (CEDAW). De conclusies van het Comité zijn een duidelijke opdracht aan het nieuwe kabinet: de bevordering van gendergelijkheid op alle terreinen behoeft dringend meer actie. Het kabinet moet, onder meer, schadelijke stereotypen aanpakken, zorgen dat vaders meer zorgtaken op zich nemen, meer doen om geweld tegen vrouwen aan te pakken en discriminatie op de arbeidsmarkt uit te bannen.

Racistische leuzen in de openbare ruimte: zichtbaar onrecht, bestuurlijke stilte

Op het stationsplein van Rotterdam Centraal, een plek waar dagelijks duizenden mensen elkaar kruisen, werd onlangs een standbeeld beklad met een racistische leus. Geen afgelegen muur of vergeten steeg, maar een object midden in het publieke hart van de stad.