Dat veel jongeren die uitstromen uit residentiële zorg het niet lukt een duurzame woon- of zorgplek te vinden, is alom bekend vertelt Mijke Mol. Ze is nu implementatiecoördinator bij de Landelijke Aanpak 16-27 en werkte daarvoor jarenlang als projectleider en teammanager in de jeugdzorg.

“Ook ikzelf heb dat ervaren toen ik met jongeren zelfstandigheidstrainingen deed, zeker wetend dat we er alles aan deden om ze voor te bereiden op zelfstandig wonen als ze achttien werden. Maar dan zag je een aantal jaren toch een deel van ‘jouw’ kinderen als dakloze op straat. Dat is enorm frustrerend. En ik weet ook: dit speelde vijftien jaar geleden al en inmiddels is het probleem groter geworden. De druk die deze groep jongeren let op de maatschappij is dus ook groter.”

De kans om samen verder te komen

“Wat ik lastig vind, is hoe snel er geoordeeld wordt over jongeren die dak- of thuisloos raken, zegt Marjan Tsatsos die ook implementatiecoördinator bij de Landelijke Aanpak 16-27 is. “Mensen kijken naar hen alsof ze het er zelf naar gemaakt hebben. Ze zijn ‘lastig’. Terwijl wij, mensen binnen het systeem, het ernaar gemaakt hebben dat ze niet op een passende plek wonen.”

Mol en Tsatsos zien dat de beeldvorming over deze groep taai is, maar ook over de mensen die in dit ‘systeem’ werken. “Jeugdzorgprofessionals zouden te veel pamperen, WMO-medewerkers te bureaucratisch zijn en gemeenten alleen aan geld denken ... Wat dat betreft is een parallel-proces: ook binnen het systeem wordt er flink over elkaar geoordeeld. Maar door elkaar echt te leren kennen, ontdek je dat ‘tegenwerking’ vaak voortkomt uit systeemdruk, onbekendheid of beeldvorming en niet uit onwil. En precies daar ligt de kans om samen verder te komen.”

‘Noodoplossingen zijn niet helpend’

Over de groep jongeren die in residentiële jeugdzorg zit en op het punt staat uit te stromen ligt er voldoende onderzoek, hebben veel gemeente plannen en zijn er genoeg mensen met goede wil. Maar wat gaat er dan toch vaak mis?

“Waar het vooral misloopt, is dat we dit vraagstuk benaderen als (jeugd)zorgprobleem. Terwijl het op de eerste plaats een huisvestingsprobleem is."

Mijke vertelt verder: "De jongeren die uitstromen hebben soms ondersteuning nodig op zorg, maar bovenal een goede woonplek. Omdat die er niet is, bouwen we noodconstructies en zoeken we geitenpaadjes. Noodoplossingen die niet helpend zijn, omdat je het echte probleem verdoezelt. Namelijk: we hebben geen duurzaam beleid wat voorkomt dat deze groep jongeren dak- of thuisloos wordt.”

Juist omdat zorg, onderwijs en wonen binnen gemeenten allemaal hun eigen regels, budgetten en prioriteiten kennen, wordt samenwerken rondom deze groep jongeren lastig. Tsatsos: “Je kunt een jongere niet opsplitsen in stukjes zorg, wonen of onderwijs. Toch is dat precies wat we in de systeemwereld doen en waardoor je dat kastje-naar-de-muur-effect krijgt als een jongere uitstroomt. Iedereen wijst, met de beste bedoelingen, naar elkaar.”

Wat werkt wél?

De implementatiecoördinatoren van Landelijke Aanpak 16-27 van het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ) ondersteunen gemeenten en regio’s bij het maken van een integraal en preventief beleid ter voorkoming van dakloosheid bij de jongeren die uitstromen uit de residentiële jeugdzorg. Wat zien Mol en Tsatsos implementatiecoördinatoren, na de ondersteuning die zij gaven in Rotterdam, Dordrecht, Eindhoven en Smallingerland, hoe het wel anders kan? Hoe zet je in die systeemwereld de knop om naar doen wat werkt? 

Tsatsos: “Bij de aanpak pleiten wij voor een centraal coördinatiepunt voor deze doelgroep binnen gemeenten. Bij de steden die wij ondersteunden, is hieraan gewerkt. Wij noemen dat punt gekscherend ‘Harry van het steunpunt’. Harry weet welke kinderen in zijn gemeente in residentiële zorg wonen, waar zij wonen, weet wat hun toekomstplan is en heeft korte lijntjes met woon-zorgplekken. Geen kastjes en muren meer.”

Deze jongeren goed begeleiden tijdens deze ingewikkelde overgang binnen het systeem kan voor gemeenten een enorme kostenbesparende interventie zijn, onderstreept de Landelijke Aanpak 16-27. In hun recente publicatie stellen zij het nog scherper: als we het blijven doen zoals we het nu doen, ‘creëren’ we onze klant voor de toekomst.

Mol: “Door aan de voorkant van het proces verantwoordelijkheid te nemen voor passende en duurzame huisvesting en zorg, helpen we deze jongvolwassenen beter op weg en besparen we op de lange termijn zorgkosten.”

Verantwoordelijkheid

In het gesprek met Mol en Tsatsos valt het woord verantwoordelijkheid regelmatig. Voelen gemeenten die verantwoordelijkheid dan nu onvoldoende? Tsatsos: “Natuurlijk voelen gemeenten zich verantwoordelijk en zijn ze zich ervan bewust dat deze jongeren eerder op verzoek van ‘het systeem’ uit huis zijn geplaatst. Gemeenten weten dat zij jarenlang intensieve en kostbare hulptrajecten hebben doorlopen. Het blijft alleen ongelofelijk taai dat ditzelfde systeem zo is ingericht dat als deze kwetsbare jongeren achttien jaar worden, ze zo verloren raken in ditzelfde systeem.”

Wat werkt wel?

Een belangrijke vraag is hoe je praktijkkennis in beter beleid implementeert. Om te beginnen pleiten zij voor de reeds genoemde ‘Harry van het coördinatiepunt’; de centrale plek dat verantwoordelijk is voor het proces en de verbinding maakt tussen opvanglocatie, jeugdzorg, gemeente en praktijk. De 'Harry' die kan schakelen, weet hoe het systeem én hoe het werkt op straat. Die ervoor zorgt dat de zorginhoudelijke mensen kunnen doen waar ze voor zijn, omdat 'Harry' verantwoordelijk is voor het duurzame woon-zorgproces rondom een jongere die jeugdzorg met verblijf verlaat.

Ook zouden ze graag zien dat er meer domeinoverstijgend wordt gewerkt. Niet alleen zouden jeugdzorg en WMO aan dezelfde tafel moeten zitten, maar ook de afdelingen wonen en financiën zijn onmisbaar in dit proces.

Wat tot slot ook belangrijk is, is dat gemeenten de tijd te nemen voor dit soort trajecten. “Als je wilt dat mensen opstaan en blijven doorgaan, is tijd echt een voorwaarde”, zegt Mol.

"Maak er geen pilot of project van, maar een langdurig traject dat is gericht op verandering. Dan ontstaat er energie, komen er oplossingen, staan mensen op en houden ze vol. Want veranderen kost lef. Lef om te zeggen: we weten niet precies waar we uitkomen, maar we gaan samen op reis. Door dat te doen, krijg je energie. En die energie is besmettelijk."

Kleine gemeente

Het bijzondere van de Landelijke Aanpak 16-27 was dat de Aanpak liep in een grote gemeente als Rotterdam, maar ook in de kleine gemeente Smallingerland. Zijn daar lessen uit te trekken? Mol: “In Smallingerland kenden we elke jongere bij naam en was de mentaliteit: We lossen het hier met elkaar op. We laten niemand vallen. Dat uitgangspunt lijkt makkelijk te zijn voor een kleine gemeente, maar kan ook gelden voor een stad als Utrecht of Amsterdam. Want we hebben het niet over duizenden jongeren die uitstromen uit residentiële zorg. Ook in grote gemeenten gaat over ‘slechts’ een honderdtal personen. Die kennen de betrokken professionals. Ook dan kun je zeggen: We laten je niet vallen.”

Gaat alle aandacht en effort op deze kleine doelgroep die jeugdzorg met verblijf ontvangt, niet ten koste van de problemen in de hele jeugdzorg? ”Nee”, zegt Tastsos. “Als je inzoomt op deze relatief kleine, maar zeer kwetsbare groep die jeugdzorg met verblijf, los je juist bredere knelpunten in de jeugdzorg en in andere domeinen op. Knelpunten als beter samenwerken, domeinoverstijgend werken en geen problemen doorschuiven. Wie inzet op deze groep jongeren, helpt hén vooruit en zet daarmee meteen het hele stelsel in beweging."

Gerelateerd nieuws

Stelselsturing in de jeugdzorg: van intentie naar impact

De jeugdzorg kraakt. Niet door gebrek aan inzet of visie, maar door een overdaad aan intenties, rapporten en tijdelijke oplossingen. De Hervormingsagenda Jeugd moet hier verandering in brengen, maar zolang het aan bestuurlijke daadkracht ontbreekt, blijven jongeren en professionals gevangen in een stelsel dat te weinig werkt.

Zorg & Sociaal

Theijs van Welij: Terugblik op 10 jaar transformatie van het Sociaal Domein

In deze blog deelt Theijs van Welij, senior adviseur in het publiek domein, zijn persoonlijke visie op de transformaties in het Sociaal Domein. De afgelopen 10 jaar heb ik veel geleerd van de transformaties in het Sociaal Domein bij een waaier aan gemeenten. In een terugblik constateer ik dat verschillen in bestuurscultuur, organisatiestructuur en ambtelijke cultuur als bepalende factoren heb ervaren voor het realiseren van een samenhangend en integraal beleid. Natuurlijk heeft de landelijke politiek c.q. de Rijksoverheid met wisselende visies en programma’s impact op de beleidsvrijheid van gemeenten en regionale samenwerking, deze laat ik voor nu buiten beschouwing.

Zorg & Sociaal

In hoeverre laat de Richtlijn gelijke beloning ruimte voor salarisonderhandelingen?

De EU-richtlijn 2023/970 inzake gelijke beloning heeft als doel de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen. Werknemers die gelijk werk verrichten, moeten hiervoor gelijk worden beloond. Transparantie is daarbij het sleutelwoord: voortaan moet het voor werknemers inzichtelijk zijn welke legitieme criteria de werkgever gebruikt voor het bepalen van de beloning(sontwikkeling). Maar wat betekent dit voor de ruimte die zowel werkgever als werknemer hebben om over loon te onderhandelen? En wanneer is een loonverschil tussen twee werknemers eigenlijk legitiem? Aletha Dera-ten Bokum en Oscar Pater (beide Dirkzwager) antwoord op deze vragen.

Inzet op rookvrije omgeving succesvol, maar toekomst onzeker

Steeds meer speelplekken, sportvelden en OV-haltes zijn rookvrij. In 2025 heeft 37% van de gemeenten (bijna) alle speelplekken rookvrij gemaakt, een aanzienlijke stijging ten opzichte van 12% in 2020. Dit blijkt uit de Locatiemonitor Gemeenten 2025. Gemeenten en GGD’en zetten zich hier al jaren actief voor in, maar nu subsidies wegvallen komt opgroeien in een rookvrije omgeving in gevaar en komt naleving in de knel.

Zorg & Sociaal